Wouter van Beek over geloven als academicus
door Hilda van de Rijke
Wouter van Beek is wetenschapper, maar ook religieus. Hij is antropoloog én mormoon. Gaat dat wel samen; wetenschap en religie? Aan de werf van de Utrechtse Oude Gracht voor zijn idyllisch gelegen grachtenwoning, legt Van Beek, als Afrikanist verbonden aan de universiteit van Utrecht en Leiden, mij uit wat geloven voor hem betekent en welke rol het in zijn privé en professionele leven heeft.
Wouter Van Beek komt uit een vrijzinnig protestants gezin. Zijn ouders waren altijd organisatorisch actief in de kerk. Maar op Van Beeks religieuze vragen gaf dit liberaal vrijzinnig protestantisme geen antwoorden. Die antwoorden vond hij wel toen hij op 21-jarige leeftijd mormoonse zendelingen ontmoette. “Ik vond het een boeiende religie, een religie met een heel duidelijke boodschap in de orthodoxe christelijke sfeer. Ik voelde me daar duidelijk thuis.” Hij is in de kerk toegetreden en gedoopt toen hij nog in militaire dienst zat. Het handgeschreven verzoek van soldaat Van Beek waarin hij één dag buitengewoon verlof vraagt om gedoopt te kunnen worden, heeft hij nog altijd bewaard.
De mormoonse kerk is een lekenkerk; het heeft geen beroepspredikanten. Alle taken zijn onderling verdeeld en rouleren. Van Beek is altijd heel actief geweest in de kerk. Zo is hij vrij lang bisschop geweest en van 1980 tot 1985 had hij zelfs een twaalftal bisschoppen onder zich. Terugdenkend aan die periode zegt Van Beek: “Dat was een heel drukke taak, heel organisatorisch. Maar het is vooral een kwestie van inspiratie en van mensen motiveren, daarom heb ik ook bijna mijn hele kerkleven lang les gegeven op de zondagsschool.”
In de loop van zijn leven is Van Beek van een redelijk orthodoxe vorm van mormonisme
opgeschoven naar een liberale vorm. “Ik definieer mezelf ook als een liberal mormon. Dat heeft binnen het mormonisme een duidelijke betekenis, het is licht afwijkend, het is de intellectuele rand van het mormonisme. Er zijn vrij veel mormoonse intellectuelen die hun eigen discours, hun eigen circuit hebben. Deze liberale visie, deze mogelijkheid om vrij te kunnen denken, mijn eigen wegen te zoeken, mijn eigen theologie te vormen is voor mij belangrijk, want als ik heel orthodox zou moeten blijven, dan spoort dat een beetje moeilijk met het antropoloog-zijn.”
Vrij op zondag
Vanaf het begin van zijn loopbaan heeft Van Beek zich beziggehouden met de antropologie van de religie. Als liberal mormon leverde dat geen problemen op. “Voor mij is mijn geloof geen exclusieve ingang tot God. Het is míjn ingang tot God, en het mormonisme is míjn relatie tot God. Openbaringen worden ook aan anderen gegeven. De Kapsiki in Noord-Kameroen of de Dogon in Mali benaderen een godheid die ik vrij makkelijk kan identificeren met mijn eigen God. Zij hebben duidelijk andere voorstellingen, maar de relatie staat.
Het gaat om dezelfde machten, die zich op een andere manier vormgegeven hebben in die cultuur.” Van Beek ziet het hebben van een religie eerder als een voordeel dan als een nadeel. Zo kan hij zich beter inleven in zijn onderzoeksgroep; hij weet immers wat het is om gelovig te zijn. En hij wordt ook makkelijker door die groep geaccepteerd, omdat men in Afrika het ontbreken van een religie onbegrijpelijk vindt.
Ook voor de taboes die bij zijn religie horen, heeft men begrip. De mormonen zijn bijvoorbeeld geheelonthouders. De Kapsiki en de Dogon kunnen dit taboe op alcohol bij Van Beek wel plaatsen, al zullen ze hoogstwaarschijnlijk heel dankbaar zijn voor het feit dat zij zelf een dergelijk taboe niet kennen. Van Beek heeft zelfs een boek over de Kapsiki kunnen schrijven met de welluidende titel Bierbrouwers in de bergen. Je hoeft kennelijk zelf geen bier te drinken om een samenleving te bestuderen waarin bier een belangrijke plaats inneemt. En wil je toch meedoen, dan kun je altijd je toevlucht nemen tot nog niet gegist, en dus alcoholvrij, bier. Maar niet elke situatie biedt een taboevrij alternatief. Wat doe je bijvoorbeeld als mormoon op zondag? Dan rust je, want mormonen werken niet op zondag. Maar wat doe je als antropoloog te velde als er op zondag iets heel belangrijks gebeurt, waar je eigenlijk wel bij moet zijn? Van Beek heeft het een keer meegemaakt: “Ik had toen een echt dilemma. Er was namelijk een tweeling geboren en dat gebeurt niet zo vaak. Weliswaar iets vaker dan hier, maar het is daar dan ook belangrijker. Toen dacht ik: ‘Wat moet ik nu doen? Want het is natuurlijk belangrijk voor mijn onderzoek, mijn werk moet ik er nu heen?’ Ik ben er toch niet heen gegaan. Nou, dat heeft me wel enige moeite gekost, maar kort daarna werden er een heleboel tweelingen geboren. Uiteindelijk weeg je iedere situatie per keer af.”
Wouter-Ama
Zijn religie stelt hem dus in een enkel geval voor een dilemma.. Toch kijkt hij voor zijn werk ook over de grenzen van zijn eigen religie. Om de religie van de Dogon van binnenuit te begrijpen bleek het noodzakelijk om er echt in te participeren. In zijn huis bij de Dogon heeft hij nu zijn eigen Dogon altaar, een wat hij noemt ‘Wouter –Ama’, Ama is de godheid van de Dogon. “Ik zie daar geen wezenlijke contradictie tussen het feit dat ik een offer pleeg voor Ama en het feit dat ik mormoon ben. Dat zijn geen twee verschillende levens. En dat betekent ook dat ik verplichtingen heb. Ik moet daar nu jaarlijks op offeren. Want als je eenmaal een altaar hebt, krijgt het altaar zelf, als plek waar je God ontmoet, zijn eigen kracht. Dan is dat een plek die je niet zomaar meer kunt verwaarlozen, want het krijgt als het ware zijn eigen dynamiek. Ik verwaarloos hem niet, omdat ik erken dat dat best eens waar zou kunnen zijn.”
En dat zijn altaar bij de Dogon z’n eigen mystieke kracht heeft, heeft Van Beek aan den lijve ondervonden.
Tijdens een filmopname over een begravenisceremonie bij de Dogon, zocht de filmploeg een geschikte locatie voor een scène die zich moest afspelen op het dak van het huis van iemand bij wie onlangs een familielid was overleden. Van Beek bood zijn dak aan onder het mom dat de broer van zijn vader was overleden. Op zich was dat niet gelogen, maar deze oom was al lange tijd dood. En toen werd Van Beek ziek, heel ziek. Zijn oudere Dogon-broer, Dougoulou, had een vermoeden van de oorzaak van de ziekte. Hij riep Van Beek ter verantwoording: “Dat is niet echt waar hè, van je vaders broer? Dat kan je niet meer maken, je bent hier nu te lang voor de voorouders om dit door de vingers te kunnen zien. We gaan een smid halen, we gaan jou genezen.” (In veel Afrikaanse samenlevingen heeft de smid traditioneel ook de functie van religieus genezer en adviseur). Na het genezingsritueel dat bij Van Beek thuis werd opgevoerd werd hij beter. “Het is voor mij een heel onthullende ervaring geweest om zo een genezingsceremonie mee te maken en inderdaad genezen te zijn. In onze eigen kerk kennen wij ook genezingen, dus dat ik daar in Afrika oog voor zou hebben, ligt eigenlijk wel voor de hand. Maar dat ik er zelf mee geconfronteerd word, is een andere zaak. Een wetenschapper kan zeggen ‘het zal wel suggestie zijn’, maar dat is een gemakkelijke uitweg, dan weet je nog niets.”
God tussen haakjes
En toch is Wouter van Beek ook een wetenschapper. Als liberal mormon is hij ook op een wetenschappelijke manier met zijn geloof bezig. Hij leest erover, praat of filosofeert erover met gelijkgestemden, gaat naar conferenties en dergelijke. Het scheppingsverhaal levert voor Van Beek dan ook geen problemen op in het licht van de evolutietheorie. “Evolutie is volgens mij de wijze waarop God de wereld geschapen heeft. Dat betekent dat ik Genesis anders lees, maar het scheppingsverhaal blijft als boodschap overeind staan; het is een ‘door wie, ten behoeve van wie’ en dat is heel duidelijk.” Hij heeft ook nooit de behoefte gehad om zijn mormoon-zijn tot alleenzaligmakend te verklaren. Had hij die behoefte wel gehad, dan was hij ongetwijfeld niet religieus antropoloog geworden. Het lijkt dus wel alsof er, op een enkel praktisch dilemma na, geen spanningsveld tussen religie en wetenschap is. Totdat we bij de vraag komen: En waar is God dan? Van Beek heeft daar wel een antwoord op: “Op dat moment staat God even tussen haakjes. Dat is wat we methodisch agnosticisme noemen. Als je bezig bent iets te onderzoeken, moet je dat onderzoeken met de middelen die herkenbaar zijn voor anderen. Het is gewoon de manier om kosjer te zijn. Voor mij is er een vrij duidelijke scheiding tussen wat ik vanuit mijn eigen zingevingsperspectief denk en wat ik vanuit de wetenschap denk. En die twee moet je naar mijn smaak niet mengen.” Zijn genezing bij de Dogon is een religieuze ervaring, waar hij wetenschappelijk gezien niets mee kan.
Toch is religie ook in zijn wetenschappelijke werk van belang, omdat het voor een deel de vragen en een grondhouding van respect levert. “Maar dan komt er een moment waarop je de religie even in de kast moet zetten en waarop je als wetenschapper aan de gang gaat. Dan zijn er twee Wouters aan het werk, een wetenschappelijke en een religieuze. En daar zit altijd een zekere spanning tussen”, vertelt Van Beek. Die spanning wordt veroorzaakt door de verschillende kennisbronnen waaruit geput wordt. Waar het bij religie om openbaring gaat, om het weten op een manier die niet herhaalbaar, niet toetsbaar is, gaat het bij wetenschap om het verklaren, het onderzoeken van dit niet-toetsbare deel van de werkelijkheid. Dit spanningsveld is voor Van Beek altijd heel productief gebleken. “Ik vind dat een spanning die je wetenschappelijk op je tenen doet lopen, en je bescheiden maakt. Als wetenschapper beseffen we dat we een stuk van het mysterie onbegrepen laten.”
Toch heeft de wetenschap veel dingen weten te verklaren die vroeger aan goddelijke invloeden werden toegeschreven. Van Beek ziet hierin ook het succes van de wetenschap. Voor hem is het even ondenkbaar dat de hemellichamen door engelen worden voortgeduwd als voor iedere ander wetenschapper. Er is duidelijk een taakverdeling gekomen tussen wetenschap en religie, waarbij het werkveld van de wetenschap begrensd wordt door het mysterie. “De wetenschap verklaart, religie blijft bij de grondvragen.” Of zoals zijn leermeester, de antropoloog Van Baal het eens schetste: ‘openbaring als mysterie, het mysterie als openbaring’. De uiteindelijke grond van de kennis, de grond van ons mens-zijn is mysterie. Daar is, volgens Van Beek wetenschappelijk niet bij te komen, de vele onderzoeken ten spijt. “Ik kom geen onderzoekingen tegen waarin dat volledig wordt opgehelderd. Waarin je dus, als je alles verklaard hebt, een formule overhoudt waarin het mensenleven gevat kan worden. Dat geloof ik niet. Religie is voor mij een manier om zin te maken uit grondvragen die de wetenschap anders makkelijk zou veronachtzamen. Het vult aan. Waar die grens ligt, blijft een spanningselement en dat blijft voor mij interessant.”
Einde der tijden
Van Beek blijft dus voortdurend die grenzen onderzoeken. Op dit moment houdt hij zich bezig met vragen van de eschatologie; het aankondigen van het einde der tijden. Dit aankondigen van het einde van de wereld is bekend uit de christelijke apocalyptische profetieën. En ook voor mormonen, die zichzelf definiëren als de heiligen der laatste dagen, neemt deze voorspelling een centrale plaats in. Maar er is nu ook een wetenschappelijke discussie gaande over de effecten van de klimaatsverandering die wel eens het einde van de mensheid zouden kunnen betekenen. Van Beeks these is dat een discours over klimaatsverandering als ultieme bedreiging voor de mensheid vooral daar aanslaat waar deze aankondiging vanuit het christendom aan betekenis heeft ingeboet. “Dit onderzoek schuurt natuurlijk heel erg nauw tegen mijn religie.” Het spanningsveld tussen de wetenschappelijke Wouter en de religieuze Wouter belooft nu dus wel heel productief te worden.
bron: http://www.mensenstreken.nl/