MvG logo www.mvgcontact.org

Het Woord Getrouw

Home



"Het woord getrouw dat ge onbevreesd moogt spreken"
George Tuffin verhaalt over de geschiedenis van de kerk in de vlaamse gewesten.

De voorgeschiedenis: de niet-mormoonse periode

Tuffin – een familiekroniek (vervolg)


The Technicolor Time Machine is in full motion
So fasten your seatbelts - no harm will come to anyone - Our sole purpose is to bring you back in time - We are fully computerized - Our destination is the Past - We are built that way - We will obey in that way - Close your eyes and drift away on the stream of Time


(The Technicolor Time Machine) (Gilbert Goossens)

Antwerpen mijn grote Liefde

‘Ik ben een vreemdeling in een vreemd land.’ (Exodus 2:22)

De Geallieerden verdeelden de Antwerpse Haven in een Amerikaanse en Britse sector. De Amerikanen hadden op de linkeroever het ‘Top Hat’ kamp opgetrokken. Zij zagen het zoals altijd: zeer groot. Daar konden de gehavende frontsoldaten uitrusten en op krachten komen, hun wonden likken en Antwerpen bezoeken.

De Britten hadden geen groot centraal kamp in Antwerpen. Zij lagen over de oude Antwerpse forten, wijken, scholen en gebouwen verspreid. Victor zat eerst in Deurne en herinnerde zich het oude fort van Wommelgem, het kamp op de Luchtbal en vooral de lege school in Hoboken in de buurt van de Metallurgie. In Hoboken was een plaatselijk Transport Hoofdkwartier gevestigd en vanuit de dokken werden de jongens van de RASC en de GSC Antwerpen (HQ-Deurne) op konvooi uitgestuurd.

De Britten en de Canadezen werkten graag in de haven, want het was een excuus om de inheemse bevolking beter te leren kennen. De bevrijder kreeg zijn moment van aanbidding en zijn moment van vertier. Het was de tijd dat iedere bakvis een Engelsman wilde pakken. Natuurlijk waren de Canadezen ook zeer geliefd en de Amerikanen waren ook niet te versmaden. De meisjes opende het jachtseizoen, de militairen werden opgejaagd als groot wild en de haven en haar omgeving werd al vlug een smeltkroes van verschillende nationaliteiten. Een groot deel van de militairen waren uit op wat vertier. Ze slaagden er in contacten te leggen met de meisjes daar zij afkwamen met een soort dagboekje, waar de militairen een korte boodschap mochten in schrijven. ‘Zou u iets in mijn ‘Poesie’ album willen schrijven’, werd er gevraagd. Natuurlijk bedoelde het meisje in kwestie dat er iets in haar Poëzie mocht gekribbeld worden. Hier en daar ging het er romantischer aan toe en ‘Kiss me again’ werd er regelmatig geroepen. Het volk hokte samen en er werd gerookt, gedronken en gedanst in de kroegen en danszalen in de buurt van de haven. Op een katholieke feestdag werden de Britten en de Canadezen zelfs gevraagd om mee in de processie van Sint Paulus te lopen.

Mijn vader trof zijn toekomstige bruid niet aan op het bal van het Rode Kruis van Boom. Dat was het verhaal van de Canadese vader van topacteur Herbert Flack. Bij mijn vader gebeurde dat aan de kade en tijdens de werkuren. Hilda Faes werkte in de Britse sector van de haven. Zij zou haar oog op de RASC korporaal laten vallen en hij zou voor haar door de knieën gaan. Het was, naar het schijnt, liefde op het eerste zicht en een ongeluk, een botsing van twee verloren zielen, veroorzaakt door de Verduistering. Dat was ongeveer de versie die vader en moeder vertelde. Zeer beknopt en zonder amoureuze details. Mijn moeder schudde haar hoofd en glimlachte. Zij werkte toen voor de Stad in de keuken voor de dokwerkers en Vic en zijn camions kwamen daar elke dag langs om te lossen en te laden. Op de middag namen de soldaten een lunch pauze en profiteerden van de Belgische keuken onder de hangar. Samen met zijn kameraden stond Victor in de rij voor een kom warme soep. Er werd wat gelachen en al gauw werd er een grapje gemaakt over de jongedame die de soep uitschepte. Voor vader bleef toen de tijd stilstaan en sprong de vonk over. Van dat ene moment kwamen er andere glorievolle momenten, geheime ontmoetingen en geanimeerde gespreken in anglo-Belgische wartaal. Maar al vlug mocht Vic zijn eerste en enige lief naar huis brengen en op het Kiel leerde hij haar familie beter kennen. Natuurlijk zagen ze elkaar niet echt regelmatig, want Vic moest verschillende opdrachten uitvoeren voor de RASC. Hij leidde konvooien in de richting van Nederland en Duitsland en hielp een gekkenhuis ontruimen en verhuizen. De patiënten werden tijdelijk naar Nijmegen overgebracht. Daar kwamen ze bij een katholieke instelling terecht en maakte kennis met de kloosterlingen. De monniken gaven de soldaten gerookte ham te eten en dat bleek een nieuwigheid te zijn voor de eenvoudige knapen. Gerookte ham was iets dat ze in Engeland toentertijd schijnbaar niet kenden. Tijdens de dagen die de RASC jongens vrijaf kregen stootte de Britten al eens op volkse rellen. De soldaten maakte kennis met de volkswoede op de Zwarten. Vader ergerde zich aan deze toestanden. Als het rechtvaardig gebeurde kon hij het best beamen, maar al vlug werden er mensen bij betrokken die helemaal niets of zeer weinig te maken hadden met de echte collaboratietoestanden. Zo kon men afrekenen met burenruzies en zaken uit het milieu. Sommige van die slachtoffers waren het resultaat van verdraaide en oude familievetes. Gelukkig kon men soms op tijd ingrijpen. Hielp de militaire politie om de gemoederen te bedaren en de betichten werden opgepakt om op een politiebureel een rechtvaardigere behandeling te kunnen krijgen.

Op andere dagen werden de jongens van de RASC met een kluitje in het riet op zending gestuurd. De generale staf maakte al eens een fout en stuurde het konvooi van vader al eens naar de verkeerde locatie. De bestemming luidde Essen en eenvoudige zielen, zoals wij, zouden de vracht naar het lokale Essen bij de Nederlandse grens hebben gestuurd. Maar de hoge officieren verkozen de vracht naar Essen in Duitsland te verschepen. Het werd een lange en onnodige rit. Ter plekke wist de plaatsvervangende burgemeester, een Brits militair, niet wat hij met het konvooi moest doen. De officier verwachtte zelfs geen goederen. Daar stonden ze dan met al die paken en zakken. De communicatie in die regio bleek dan ook nog een groot probleem te zijn. Na wat zoekwerk in de buurt vond men toch een veldradio. De planning in Antwerpen stond op zijn kop. Even stonden ze op de rand van een verhitte ruzie. Maar gelukkig ontdekte men dat er nog een andere Essen was, in de buurt van Nederland en zo mocht het konvooi naar huis terugkeren. Het hoofdkwartier stuurde ondertussen een andere GT eenheid naar het Vlaamse Essen om de vergissing te recht te zetten.

In 1945 werd de bedrijvige korporaal verhoogd in graad. Hij ontving zijn voorlopige sergeant strepen. Waar hij zeer fier op was. Majoor Moore, de bevelhebber van de Antwerpse transporttroepen, die Victor kende als een ijverig sergeant, ontdekte dat deze nog nooit verlof genomen had en verplichtte hem voor twee weken naar Engeland te gaan. Zijn soldaten boekje vermeldt dat hij van 13/3/45 tot 21/3/45 verlof heeft. Het werd echter een lange koude tocht. De winter is nog in het land. Het is maart, maar het is ijskoud en onguur weer. Met de trein van Antwerpen naar Calais, zittend in onverwarmde wagons en op koude houten banken. Er werd één keer gestopt om te eten in een transitkamp. In Calais kreeg hij zijn bootticket, maar op de ferry werd hij ziek en kreeg keelontsteking. Aangekomen in Dover meldde hij zich bij de medische dienst en die stuurde hem naar het veldhospitaal te Hitchin en zo geraakte hij niet thuis. Hij moest 14 dagen in de kliniek blijven. Zijn moeder zag hij nauwelijks en teleurgesteld keerde hij naar zijn eenheid in Antwerpen. De goede Majoor scheen van zijn lotgevallen op de hoogte te zijn en als een echte beschermengel gaf hij vader dadelijk terug wat verlof. Van 14/4/45 tot 23/4/45 gaat Vic met verlof, maar zonder wedde en dat betekend zonder voedselbonnen, iets waar zijn moeder in Engeland naar uitkeek.

Het MEDLOC kamp

Toen de oorlog voor Europa gedaan was woedde hij nog verder in het gebied van de Stille Oceaan en Japan. De legers van de Geallieerden herschikten zich qua manschappen en materiaal. De Britse transporttroepen en hun camions werden teruggeroepen en herverdeeld. Vic had wat schrik dat de legerleiding hem naar de eilanden in Stille Oceaan zou sturen want hij had er nog enkele dienstjaren opzitten.

Hij droomde er natuurlijk van om in de buurt van Hilda te mogen blijven. Maar dat was niet mogelijk. Gelukkig werd hij niet te ver weg gestuurd en belandde in Zuid-Frankrijk. Zijn eenheid werd een onderdeel van de Medische Dienst MEDLOC van het Britse leger. Zo genoot Vic onverwacht van een zomervakantie aan de Middellandse Zee. Er was maar één groot verschil. Er moest daar heel hard gewerkt worden! Maar dat was hij reeds gewoon. Tijdens de hitte van de dag werkten de mannen in hun lichte zomerkledij dat bestond uit een korte broek en een hemd met korte mouwen. Werd het te warm dan werd er zelfs in hun bloot bovenlijf gewerkt. Afhankelijk van de tijd die ze in zon hadden doorgebracht, kreeg men daar een troep rood en bruin gebrande Britten te zien. Maar in de avond moesten de militairen zich weer deftig opsmukken en hun volledig uniform aan trekken om te gaan dineren. Het MEDLOC kamp lag ten Oosten van Marseille in de buurt van de havens van Toulon en Hyérs. Daar kwamen de grote hospitaalschepen lossen en laden. De gewonde soldaten die naar huis gestuurd werden, moesten het kamp passeren en vader had daar de leiding gekregen van het vervoer. In deze transitzone verlieten de gewonde soldaten de schepen, werden onderzocht en opgevangen. Zij die gezond genoeg waren om te reizen werden naar de wachtende treinen gevoerd die hen naar Oostende en Calais voerden. De zeer zieke soldaten werden een tijdlang opgevangen voor revalidatie in het grote veldhospitaal van het kamp. Ze werden daar verzorgd, gewassen, gekleed en gevoed om op krachten te kunnen komen om op de trein gezet te kunnen worden om naar huis te kunnen gaan. Victor was ook zeer blij toen hij zijn uniform mocht inleveren voor zijn burgerplunje. De tevreden majoor vroeg hem of hij wou aanblijven als beroepssoldaat. Vic bedankte beleefd voor het voorstel. Op 10 augustus 1946 zwaait vader af als een ‘volle’ sergeant bij de RASC. Victor zag zijn toekomstige bruid geen barakken delen met een hoop vreemde Britse soldaten en hun gezinnen. Het zou een te grote aanpassing voor haar zijn en het leven op een legerkamp was niet zo aangenaam in die tijd. Hilda was geen Britse en dat zou wel eens aanleiding kunnen geven tot misverstanden.

Mijn moeder te Antwerpen

‘Zie, uw moeder.’ (Johannes 19:27)

Mijn moeder heette Hilda Maria Lodewijk Faes. Ze werd op 22 november 1926 te Antwerpen geboren. Haar vader, Jozef Faes, was schilder bij de Stad Antwerpen en haar moeder was gewoonweg huisvrouw. Jozef Faes had voor de WO II nog meegeholpen met het inrichten van de paviljoenen van de wereldtentoonstelling van 1939. Mijn grootouders kwamen oorspronkelijk uit het centrum van de stad. Zij hadden in de Lange Gang gewoond, in de buurt van de Meistraat en de Vogelenmarkt. Maar al vlug verhuisden zij naar de nieuwe sociale woningen op het Kiel. Mijn moeder bracht het grootste deel van haar jeugd in de negende wijk van de Stad door. Het Kiel beschikte over verschillen blokken met flatgebouwen. Reeds in 1922 verrees het eerste complex in de Julius De Geyterstraat en daar brachten oom Jef en tante Mariette een groot deel van hun leven in door. Deze blokken waren typerend voor de mensen uit de buurt en grensden aan het bekende Beerschot voetbalstadion. Een jaar later begon men aan de eerste blokken van de wijk die op en rond de Jan Davidlei groeide. Daar vonden mijn grootouders hun stek. Ze zaten in de witte blokken die voor een groot deel aan de Sint Bernardsche Steenweg grensde. De complexen Hennig I en Hennig II werden in 1923 gebouwd. De Tiebaud II en Hennig III werden in 1923 en 1937 gebouwd. Deze zeer solide maar goedkope woonstructuren staan er vandaag nog steeds. Hennig II en Tiebaud II werden na WO II in 1948 en 1949 heropgebouwd en vernieuwd na de inslagen van de V bommen. De familie Faes-Verwaest woonde in de Hendriklei nummer 20. De flat bevond zich op de middelste binnenkoer van de blokken. De grote familie woonde op de derde verdieping. Daar verbleven grootvader, grootmoeder, tante Margriet, oom Felix, tante Angéle, oom Frans en mijn moeder. Tante Margriet was de eerste die het warme nest verliet. Zij huwde met Albert Peeters en vonden hun intrek in een flatgebouw op dezelfde koer en vlak over nummer 20. Margriet schonk Albert twee kinderen: Rita en Johny.

 Het verdriet van Antwerpen

Om het verhaal van mijn moeder wat kleur te geven vermeng ik het met de oorlogsjaren van een oudere vriend van de familie. Roger Meeuwesen die nu in Merksem woont, schetste voor ons het voorjaar van 1940. Hij zat toen bij zijn vader op schoot. Vader droeg een militair uniform want hij was gemobiliseerd. De kleine Roger mocht een enorm groot pistool vasthouden en bewonderen. De hele familie woonde toen nog bij grootmoeder, langs moeders kant. Ze sliepen in de voorkamer op de grond. Toen de Duitsers België onder de voet liepen werd vader krijgsgevangen genomen samen met zijn andere kameraden aan het front. Een geruime tijd later kwam vader vrij en vertelt over zijn krijgsgevangenschap in Oostenrijk. Ook bij de familie Faes-Verwaest gebeurde er van alles toen de oorlog uitbrak. Nonkel Albert werd onder de wapens geroepen en trok naar het wankelend front. Maar veel heeft hij niet moeten vechten en in de chaos die daar heerste werd een terugtocht richting kust georganiseerd. Ook oom Felix en Frans werden aangezet om uit de handen van de Duitsers te blijven en zij voegden zich bij de mannen die richting Oostende liepen. Maar de Duitsers rukten op en alles liep mis voor de Franse en de Britse soldaten. Gelukkig werden zij in Duinkerke opgepikt door de Royal Navy en een heldhaftige zoetwater vloot die het overschot der gestrande soldaten terug naar Old Blighty brachten. Koning Leopold III capituleerde en de Belgische mannen konden terugkeren naar hun woonstede. Sommige soldaten werden krijgsgevangen genomen, naar Duitsland en Oostenrijk gevoerd en werden daar aan het werk gezet. Veel weet moeder niet te vertellen over de eerste dagen van de bezetting. ‘Ik was toen nog zeer jong en speelde met mijn poppen’, vertelde ze. Veel van het commentaar over de oorlogssituatie ging aan haar voorbij en het gros van de volwassen gesprekken werd op gedempte toon gevoerd zodat zij er niet veel van begreep. Albert ging als vrijwilliger werken naar Duitsland, oom Frans volgde hem op de voet en zo kwam tante Margriet alleen te zitten. Daarom verkoos zij om meer tijd door te brengen met haar kleinere zus Hilda. Tijdens de bezetting verhuisde de familie Meeuwesen naar een huis in de Eggestraat, waar de bovenburen hand in hand gingen met de Duitse bezetter. Er werden daar Duitse officieren ontvangen tot een gat in de nacht. Het ging daarboven altijd zeer vrolijk aan toe. Om problemen met de buren te vermijden verhuisde vader zijn ‘verboden’ boeken naar de grootmoeder. Het betrof hier lectuur van de socialistische arbeiderspers, waaronder het boek ‘Warschau 1938’, een aanklacht tegen de Duitse inval in Polen. Hun klein radiootje verdween ook, want dat was ook verboden. Hilda Faes was zeer mooi toen ze een tiener was. Zij liep school bij de nonnen van de Abdijstraat. Ze had van die mooie lange donker bruine haren en van die ogen waar je de zon in zag schitteren. Toen ze zestien werd, nam oom Felix, haar oudste broer, een kiekje van haar in de buurt van het standbeeld van Brabo op de Grote markt. Sweet sixteen and never been kissed. Hilda droeg toen een soort schooluniform. Je weet wel, met zo’n vest en een fraaie plooienrok. Ook haar jassen waren steeds uitzonderlijk mooi verzorgd. Dat kwam omdat moeder zo handig was met schaar, naald en draad. Hilda ging naar de katholieke school. Ze had snit en naad gelopen bij de nonnen. Hilda was geen goede studente, maar de praktijklessen redde haar leven. Hilda herinnert zich nog dat ze voor tante Angéle een jasje of een blouse maakte uit het materiaal dat men van een stukgeschoten parachute recupereerde. Hilda en haar schoolvriendinnen spijbelden af en toe. Een dagje door de stad lopen en de grootwarenhuizen uitkammen was toen reeds in. Ze waren zich van geen gevaar bewust en lonkten zelfs naar de Duitse soldaten op de Meir. Er werd vrolijk gegiecheld als zij een jonge man in uniform opmerkten die durfde in hun richting te kijken. Zo zou de bakvis een Duitse vriend gehad hebben. Een verhaal waar ze niet te veel ober lost omdat ze dan commentaar kreeg van mij. Hij heette Otto en kwam uit Beieren. Een gezonde boerenzoon die zeer jong was voor het leger. Maar het was oorlogstijd en misschien was hij wel bij de Hitler jeugdbeweging. Ook Robert Meeuwesen ging met zijn twee zussen regelmatig wandelen in de Stad. Ter hoogte van de Sint Gumariusstraat en het Sint Janplein hoorden ze een enorm lawaai en zien tientallen vliegtuigen boven hun hoofden passeren en kort daarop regende het bommen en iemand sleurde het drietal de gang van een winkel binnen. Overal kropen er oudere mensen weg om zich te verschuilen voor de inslaande bommen. De ontploffingen overdonderden hen en later hoorden ze dat het station van de Dam werd opgeblazen. In de Eggestraat woonde de familie Meeuwesen in nummer 23. Buiten hun vreemde bovenburen woonden er in nummer 13 nog mensen die met de Nazi’s heulden. Op een keer wandelde Roger voorbij die deur en de dame van dat huis stond juist met twee Duitse officieren te praten. Wanneer hij daar aankwam, zei de buurvrouw : ‘Kijk ons klein joodje daar eens gaan.’ Roger begreep dit niet. Hij was een gewone Belg, een Antwerpenaar en helemaal geen jood. Vermoedelijk wou die dame even opvallen en goed staan met de Nazi’s. Had die dame nu gezegd, ‘dat is de zoon van een socialist’, dan had er nog iets van waar geweest. Maar nu was het gewoonweg onzin. Gelukkig maakte Roger er toen niks van en stapte gewoon verder naar school. Op een zondag deden de familie Meeuwesen een uitstap naar het Sint Anna strand op de Linkeroever. Er werd heen en weer gependeld met de Flandriaboot. Toen zij uiteindelijk terug naar de rechteroever gingen kwam er een Duitse oorlogsboot aanzette en die opende vuur op laagvliegende bommenwerpers. Iedereen sprong van de overzetboot op de kade en de familie vluchtte via de Suikerrui naar een zijstraat van het Stadhuis. Er kwam ook een Duitse soldaat bij hen schuilen die werd de huid vol gescholden door moeder omdat hij zo laf deed. In de maand april van 1943, ging Roger met zijn moeder op bezoek bij het ‘zonnebad’ in de Van Arteveldestraat. Dat was iets van de ziekenkas of dergelijke. Men kon daar in een zaal rondwandelden in zijn ondergoed. Hier en daar stonden er UV lampen opgesteld en het was de bedoeling om daar ‘vitamines’ op te doen. Toen hun zonnebeurt voorbij was hoorden zij het gebrom van naderende vliegtuigen. Iedereen liep naar buiten en de mensen zagen enorme zware bommenwerpers overvliegen en die vlogen in de richting van Borgerhout. Moeder en kind namen de tram naar huis en ter hoogte van de Kerkstraat zagen ze vele gekwetste mensen in hun werkpak naar huis lopen. Zij kwamen van Mortsel waar de bommen enorme schade hadden aangericht en de burgerbevolking ernstig was getroffen. De Amerikanen hadden hun bommen gelost zonder de Duitse doelwitten te raken. De zondag daarop reed het gezin naar Mortsel, net als honderden andere gezinnen. De uitstap had tot doel het verwoeste Mortsel te gaan bekijken. Daar waar Mortsel eens stond, vond men nu enkel een maanlandschap, een gapende vlakte van puin en bomkraters. De woningen van toen waren vernield door de bommen.

De Canadezen komen

In augustus 1944 vergezelde Roger moeder en grootmoeder naar de Stad. Bij de Leien ter hoogte van de Nationale Bank gingen ze staan kijken naar de terugtrekkende Duitsers. De Britten en de Canadezen zaten in Brussel en waren op komst. Op een bepaald ogenblik kreeg een Duits officier het op zijn zenuwen en hij trok zijn wapen en richtte het op de pottenkijkers. Roger werd door moeder en grootmoeder weggesleurd en achter de hoek van de Nationale Bank tegen de muur gedrukt. Hilda Faes haalde haar diploma toen ze achttien was, ging vlug werk zoeken en de Stad nam haar in dienst. Samen met andere jonge werkkrachten werd zij naar de hangars van de dokwerkers gestuurd, want deze hardwerkende mannen moesten gevoed worden. Zo verzeilde Hilda samen met tante Margriet ergens tussen hangar 25 en het Noordkasteel. Indien het weer mee viel was het aangenaam werken. Maar in de herfst en de winter moesten ze in weer en wind boterhammen smeren. Ze hadden enkel de bescherming van het dak van de hangar boven hun hoofd en in de winter stond er een open vuur onder de hangar om je aan op te warmen. In september 1944 werd het spannend in de buurt van Antwerpen. De Duisters maakten zich klaar om de stad te verlaten. De Britten en de Canadezen zaten in Brussel en de burgerbevolking voelde de bevrijding naderen en op een vrijdag, mocht niemand in de buurt van de Eggestraat nog naar buiten. De Duitsers gingen het Schijnpoort station opblazen. De familie waagde het toch om aan de voordeur te gaan gluren. De Duitsers liepen met het geweer in aanslag door de straten en ontstonden hevige plunderpartijen. Er liep een Belg met een zetel op zijn rug over het Eggeplein (Groeningsplein). Hij kwam van Borgerhout, want daar werd het Duitse legermagazijn geplunderd. Maar hij werd onderschept en aan de andere kant van het plein werd hij neergeschoten. De Duitse soldaten pakte de burgerbevolking hard aan en gingen zich daarna bedrinken. Daarna overvielen zij op hun beurt de winkels van de buurt. Veel was er daar niet te rapen want vele van die winkels waren reeds met planken dichtgenageld. Op een bepaalde namiddag kwam vader thuis van zijn werk en er reed een wagen van de Witte Brigade door de straat. Er werd jacht gemaakt op de vluchtende Duitsers. De zaterdag daarop reden de Canadezen en de Britten de stad binnen. Vader kwam zeer vroeg thuis met het blijde boodschap dat Antwerpen bevrijd werd door de Geallieerden. Die zondag trok het gezin naar de Meir en bezocht een neef van vader die daar een pralinewinkel had. Ter hoogte van het Atheneum ontstaat er een vuurgevecht tussen de Witte Brigade en achtergebleven Duitsers en Vlaamse SS-ers. De mannen van het Verzet hadden in een lokaal van deze school hun munitie verstopt. De kogels vlogen om Roger zijn oren en het werd weer schuilen geblazen. Wat later bereiken ze de Meir, ongeveer waar nu het Kruidvat is, en daar werd ook geschoten. Het hoofdkwartier van de Duitsers werd kapotgeschoten door lichte pantserwagens. De gevel is zwaar beschadigd en de Duitsers hadden matrassen door de ramen gelegd om zich te beschermen tegen de inslaande granaten. Later op de dag reden de tanks van de Geallieerden de stad binnen. De Sherman tanks en andere pantservoertuigen werden al gauw een vast onderdeel van het straatbeeld. Zij parkeerden als gewone wagens in de straten. Tijdens de zomer van de bevrijding, veranderde de werksfeer in de kleine gaarkeuken van de dokken, want er kwam onverwacht volk bij. Soldaten die grote honger hadden en een vreemde taal spraken. De meisjes kregen van de Stad, het OCMW, of de Openbare Onderstand, de opdracht om hun keuken uit te breiden. Mijn moeder en de andere dames stonden al gauw centraal in de belangstelling van de jongens in kaki. Er hing feestvreugde in de lucht en eten geven aan jonge kloeke soldaten was iets anders dan boterhammen uitdelen aan de gewone dagelijkse klanten. De dames van de keukenploeg werden de lievelingen van de hongerige Canadezen en Britten. Het duurde niet lang of overal ontstonden vriendschappen, en Belgen en soldaten klikten samen. Er gingen wilde verhalen de ronde over allerlei amoureuze toestanden van haar en haar vriendinnen. Sommige meisjes verkozen het gezelschap van de Amerikanen boven de aanwezigheid van Canadezen of de Britten. Overal werd een stukje gedanst, gezongen en gedronken. De G.I.’s waren ook vrij gul daar zij veel meer soldij ontvingen dan de andere soldaten. Maar Hilda waagde het er niet op. Ze bleef bij het volkje van haar hangar. Ze had al twee vriendjes, een Canadees die mee met haar op de bus vergezelde en een Britse korporaal die met zijn maten dagelijks goederen kwam ophalen. Victor had zijn oog op Hilda laten vallen en wist niet goed wat hij moest beginnen. Hij was nog nooit met een meisje uit geweest. Zijn vrienden hadden hem aangemoedigd om het er op te wagen. Met de dagen kwamen de tongen losser en de taalproblemen werden al gauw overwonnen. Een hete pot soep en goed Belgisch brood deed wonderen bij de rij hongerige soldaten. Een knipoog hier en een knipoog daar. Een half verstaanbare grap en een avontuurlijk voorstel door een soldaat die de taal niet machtig was bracht een hoop gegiechel vrij.

Verliefd en verloofd

Op een bepaalde dag werd er een groepsfoto genomen. Iedereen kroop wat dichter bij elkaar en daar hadden ze elkaar vastgegrepen. Het eerste contact, wat schuchter maar het was gebeurd en vader bracht moeder naar huis. Jolijt alom. Grapjes bij de familie. Gefluisterd op de koer. Onze Hilda heeft een lief! Later toonde vader, die vrij verlegen was, onder druk van zijn vrienden zijn motto aan de keukenploeg en Hilda mocht meerijden. Het jonge paar ging regelmatig op stap. Natuurlijk moest Hilda rekening houden met de diensturen van haar soldaat. Toen vader een bepaalde dag niet kwam opdagen, vroeg Hilda zich af wat er gebeurd was. Ze informeerde bij de andere soldaten. Korporaal Babyface of Butter Face Vic was ziek, zeiden ze. Butter Face was de bijnaam voor vader omdat hij nog zo’n jong gezicht had. Hij had geen boeventronie, geen gelaat van staal en gedroeg zich niet als een gehard soldaat. Kan ik hem bezoeken, vroeg ze al vlug en zo ontdekte ze dat Vic in het Brits kamp met keelontsteking te bed lag. Moeder pakte haar moed bij elkaar en nam een tram of twee richting Deurne Noord. Daar stapte ze dan nog een flink stuk door Wommelgem om het kamp te bereiken. De soldaat van wacht had het lastig om de jonge dame te woord te staan. Maar na wat heen en weer gepraat kon hij haar begrijpen en trachtte Victor naar buiten te krijgen. De boodschap was vrij verwarrend en pijnlijk. Er staat een klein kind, een meisje, bij de wachtpost. Naar het schijnt kent ze u en heeft ze een boodschap voor u. Het gevolg was dat er wat rumoer en heibel ontstond in de ziekenkamer. Maar uiteindelijk kon Vic even naar buiten glippen om te gaan zien wie dat klein wicht kon zijn en ontdekte zo dat Hilda, zijn vriendin uit de haven, voor de poort stond. Hij omarmde haar en stelde haar gerust. Hij was ziek en moest een weekje op het kamp blijven. De officier en de arts die het schouwspel gezien hadden waren zo vriendelijk om Hilda even binnen te laten. Het duurde niet lang en pa en ma werden echt verliefd op elkaar. Van het één kwam het ander en zo mocht vader mee om de ouders van Hilda te ontmoeten. Van hangar 25 naar het Kiel. Maar Hilda bleef echter niet op de haven werken. Een vriendin van Hilda vertelde haar dat er in de Elisabethstraat een vacature was voor een jong naaistertje. Mijn moeder ging zich op het atelier die niet ver van de Jodenbuurt lag aanbieden en werd daar aangenomen. De bazin leek zeer streng, vertelde moeder mij. Al vlug voelde ze zich daar thuis want de meisjes die zij daar op de zaal leerde kennen werden al vlug haar vriendinnen en samen hadden ze veel leut. Er moest hard gewerkt worden, maar de opmerkingen van de oudere dames konden hen gestolen worden. Hier deed Hilda de nodige ervaring op om zelf aan haar kledij te sleutelen en zo bleef ze er altijd modieus en trendy uitzien. Na het werk kwam Vic haar ophalen en bracht hij naar huis op het Kiel. Zo leerde Victor alle familieleden beter kennen en zo werd hij een vaste gast aan huis. Er waren dagen en weken dat Hilda haar verloofde niet zag. Vic moest regelmatig naar Nederland en Duitsland met zijn eenheid. De camions reden heen en weer om allerlei opdrachten uit te voeren.

Vliegende bommen

Na de bevrijding zat Roger Meeuwesen op school in de Violetstraat. Op een bepaalde morgen werd er een enorme knal gehoord. De leraar beval de leerlingen om onder hun banken te gaan liggen. De eerste V1 was op Antwerpen gevallen!

Toen wist men nog niet goed wat een V bom was en enkele dagen later verscheen er in de Volksgazet een foto van de V1. De vliegende bommen kwamen nu met een regelmaat aanzetten. In de school werden de banken naar de kelder verhuist en de leerlingen kregen les in de kelder. Iedere leerling kreeg een zak waarin naald en draad zat en ook een fluitje. Ze moesten op dat plat blikken ding blazen als ze onder het puin bedolven werden en dan kon men al voort gaand op het geluid hen komen uitgraven. Wat later op de week besloot de Stad om de scholen gesloten te houden.

De leerlingen moesten thuisblijven voor het gevaar van de V bommen. Thuis verhuisden ze naar de kelder. Met vijven zaten ze in een ruimte van vier meter op drie meter. Er stond één tafel en één kast en ze sliepen in twee grote houten bakken.

Dan kwamen de V2 geluidloos binnenvliegen. Daar die spullen vlugger dan het geluid vlogen, hoorde men het gefluit van de raket pas na de ontploffing. Op 100 meter van hun huis viel een V2 op het huis van de bakker. Roger zat toen te tekenen aan de tafel in de keuken. De glazen schuifdeur werd weggerukt en viel op Roger, maar hij werd niet gewond en overal in de straat zijn de ruiten stuk. De openingen werden dichtgenageld met ‘cartonpierre’, een zwarte plaat karton bedekt met een laag fijne steentjes. Overal in de buurt werd het nieuws van de nieuwe bominslagen bijgehouden. De zoon van de neef van vader, die op de Meir woonde, ging naar cinema Rex en kwam nooit terg. De bioscoop werd volledig platgelegd door een V bom en zijn zoon was één van de vele slachtoffers. Ook mijn vader, Victor Tuffin, verloor vrienden in die grote bioscoopzaal. Hij heeft zelf die dag meegeholpen met het ruimen van het puin en met het wegbrengen van de slachtoffers. Ook op het Kiel werden de blokken getroffen. De woningen werden bijna helemaal vernield. Daar waar ons moemoe woonde bestond het complex uit een ruwe rechthoek dat aan zijn zijden begrensd werd door de Hendriklei, de Max Roosestraat, de steenweg en de Jan Davidlei. De woonblok aan de overkant van de Max Roosestraat werd tijdens de oorlog zwaar getroffen door een V1 bom. Op 9 december 1944 werden er 42 mensen gedood en 94 huurders kwamen gewond van onder het puin. Tijdens de jaarwisseling 1944 -1945, iets na middernacht was er weer een bominslag op het Eggeplein ongeveer 60 meter van de woonst van de Meeuwesen. Door de luchtverplaatsing werd het kelderraampje uit de muur gerukt en vloog te pletter tegen de keldermuur. Er hinkten en kropen gekwetste en bebloede mensen door de straat. In het puin van de kruidenierszaak vonden men de meeste doden. Hun kledingstukken hingen als vodden in de bomen van het pleintje. Daarom besloot vader dat de maat vol was en ging zijn gezin buiten de stad wonen. De familie Meeuwesen werd met een camion van de Stad Antwerpen naar Grobbendonk gebracht. Daar kregen ze een onderkomen in het Natuurvriendentehuis. Ze leefden daar samen met andere mensen. In dit clubhuis zaten ook Amerikaanse soldaten en die deelden hun chocolade en kauwgom met de vluchtelingen.

Een nieuw begin

Op het einde van de oorlog werd Victor Tuffin naar Frankrijk overgeplaatst en dat werd een moeilijke periode voor Hilda, maar haar geliefde had beloofd zo vlug mogelijk naar haar terug te keren. Ze waren van plan om bij de eerste gelegenheid te gaan huwen. Het koppel had de situatie al eens met elkaar overlopen. Ze hadden plannen genoeg. Eens gehuwd zouden ze naar Engeland kunnen gaan. Hilda zou de Britse kant van de familie kunnen leren kennen en misschien kon vader terug bij de oude ijsfabriek gaan werken. Het was een begin. Mogelijk waren er ook fabrieken in de buurt van Bishop Stortford. De stad Hitchin had wat industrie om aan de slag te gaan. Zijn schoonbroer John, de man van Peggy, had de RAF verlaten en was bij het Spoor begonnen en zat daar ook een opening voor Vic te wachten. Na de oorlog stonden de verwachtingen hoog gespannen, maar alles bleek geen rozengeur en maneschijn te zijn. Het naoorlogse Europa stond niet klaar om het jonge paar met open armen te ontvangen. Toen Victor uiteindelijk terug in Antwerpen arriveerde was er veel veranderd. Tante Angéle, het zwarte schaap van de familie, was terug uit la douce France. Zij had daar graag willen blijven wonen. Maar de Duitsers waren aan de verliezende hand. Haar werk in Orange op het Duitse hoofdkwartier had geen nut meer. De Duitse officier waar ze mee optrok, was met de noorderzon verdwenen richting Duitsland. Met een gebroken hart trok zij terug naar haar ouders in Antwerpen om daar haar wonden te kunnen likken. Zij zou later werk vinden Bell Telephone. François, de jongste broer van Hilda, die drie jaar ouder was dan zij, was een echte flierefluiter. Hij kwam ook uit Duitsland terug. Door zijn talenkennis vond hij vlug werk bij de verzekeringsmaatschappij De Vaderlandse en zou zich daar langzaam maar zeker omhoog werken. Het duurde niet lang of François stond ook op vrijersvoeten. Hij ontmoette een meisje van de buurt, die Antoinette heette en in de steeg van de Schijfstraat woonde. Zij werkte in een beenhouwerij bij haar neef op het Zuid en zij huwde uiteindelijk met François. Ook de stugge Albert verscheen terug ten tonele, want Duitsland had hem niet meer nodig. Hij voegde zich terug bij zijn vrouw Margriet en zijn twee kinderen Rita en John. Hun appartement over de flat van de familie Faes werd gerenoveerd en zij werden verplicht om een tijd in blokhuttenkamp te gaan wonen op het Zuid. Wat later kregen ze een nieuwe en ruimere woonst aan de Alfons de Cockxplein.

Een jong gezin

Toen Vic terug uit Marseilles arriveerde was het vreugde alom. De Brit werd feestelijk ontvangen en zo leerde hij wat nieuwe gezichten kennen. Met oom Felix kon hij het beste optrekken daar hij de leuke dikkerd al het langst kende. Felix sprak ook het beste Engels. Het was van dat “haven” Engels maar het hielp Vic enorm. Met Frans en Albert had hij wat last. Frans maakte te veel grappen en dronk nog al graag eens een pint of twee. Het mogen er ook meer zijn en daar kon vader niet tegen. Albert daarentegen was kalmer, strenger en had het niet hoog op met de Britten. Vader vermoedde dat Albert te lang in Duitsland had gezeten, zodat het zijn tweede heimat was geworden. Albert die vroeger soldaat was geweest vond niet dadelijk geschikt werk in onze buurt en trok later terug naar het leger. Hij werd beroepssoldaat en bracht het tot chef-kok van de officieren mess.

In de Hendriklei nestelde François zich in de kleine voorkamer, Vic en Hilda deelden de grotere voorkamer met elkaar, moe Mit en Angèle sliepen in de grootste slaapkamer en Felix kreeg de kleine slaapkamer. Voor de rest was het één en al drukte, want in de living ontmoette iedereen elkaar dagelijks om te eten en te converseren, het was gewoonweg de vergaderruimte bij uitstek. De kleine keuken werd meestal door moe Mit en Felix gebruikt om te kunnen koken. Alhoewel er daar ook de wastafels stonden, waar iedereen zich beurtelings moest gaan wassen en dan zwijg ik nog over de wachtrijen voor de kleine WC. In de living, de gelagzaal van het gezin, stond een grote kast, een tafeltje met een lampenradio, een zware kachel die ook als kookfornuis dienst deed en centraal de grote tafel waar de familieleden kwamen eten en lezen. Hilda en Vic beseften al vlug dat zij een eigen woonst nodig hadden om hun gezin uit te breiden. Hilda vond dat er gewoonweg te veel volk woonde in het appartement. Ze hadden de oude kamer van grootvader wel gekregen, maar dat was maar een voorlopige oplossing. Niemand vond het erg dat het jonge paar bij hen inwoonden en iedereen was blij dat Vic terug was. In België wonen werd voor Vic een hele aanpassing. Net als Abraham in Egypte voelde hij zich een vreemdeling in een vreemd land. In Antwerpen sleutelde Vic aan zijn taalprobleem, maar het bleef een pijnlijke zaak voor hem. Na een jaar sprak vader Nederlands met een Brits accent, maar de geschreven taal zou daarentegen een probleem blijven. In zijn binnenste verlangde hij naar zijn tehuis in Engeland, maar er kon niet gereisd worden. Hilda en Vic hadden er geen geld voor en een maand na hun huwelijk was Hilda reeds zwanger. De brieven van zijn moeder brachten het jonge paar geen mooie tijdingen. Het dorp Bishop Stortford dat tussen Londen en Cambridge lag was door de Duitse luchtmacht platgelegd. Alle huizen en gebouwen moesten heropgebouwd worden. Vic en Hilda moesten dus hier blijven wonen. Deze onverwachte scheiding met eijn geboorteland zou langzaam, maar zeker het hart van Vic breken en de aanhoudende heimwee weerspiegelde zich op zijn gelaat. In Bishop Stortford had men buiten het dorp een reeks noodwoningen opgetrokken, maar er was geen huisje vrij voor het jonge paar. Het gemeentebestuur had niet op vaders terugkomst gerekend. Dat was maar goed ook, vond moeder, want de familie van vader deed nog al raar. Het onderhands gedoe van haar schoonmoeder beviel haar niet en nu dat de oorlog voorbij was bleek de moeder van Vic nogal veeleisend te worden. Grootmoe Tuffin verwachtte veel van haar zoon. Ze klaagde dat hij schijnbaar geen tijd meer had voor haar. Hij had enkel ogen voor zijn jonge bruid. Kortom ‘Granny’ zaagde veel en vroeg daarbij ook nog geld aan Vic. ‘Ze had het momenteel niet breed’, opperde ze. Wat moest Vic daarop zeggen. Hij twijfelde sterk aan de oprechtheid van zijn eigen moeder. Zij werkte toch als kokkin en verpleegster in het hospitaal en hij had zelfs nog geen job in Antwerpen gevonden. Het weinige geld dat hij op zak had, had hij van oom Felix gekregen. Daarom besloot het jonge paar om nog wat te wachten vooraleer het Kanaal over te steken. Vic en Hilda zouden hier op het vasteland hun kansen wagen.

Na de oorlog zocht Vic naar werk. Hij had gedacht dat hij met zijn technische kennis en legerervaring goed aan de bak zou geraken. Er was toch altijd nood aan een ervaren mechanicus. Bij Bell Telephone had hij nochtans geen geluk. Spijtig genoeg liepen de sollicitatiegesprekken niet vlot. Als je van een gesprek mocht spreken. Er heerste schijnbaar een vreemde naoorlogse houding bij de personeelschefs die hij ontmoette. In hun hart heulden ze nog steeds met de Duitsers en hielden er niet van om met een bevrijder van Antwerpen in zee te gaan. Zo moest vader pakken wat er te krijgen was. Even was er hoop. Men zocht een bekwaam autodeskundige bij de Metallurgie te Hoboken. Maar die job ging ook de mist in. Vader trachtte de betrokken verantwoordelijke van de persooneelsdienst nog te vertellen dat hij ondervinding had met kleine en grote voertuigen, maar het mocht niet baten. De Metallurgie wilde wel een toegeving doen en stelde voor om in de hoogoven te beginnen. Vic aanvaardde het voorstel dan maar, tegen beter weten in en met de hoop dat hij in de nabije toekomst toch in de garage kon beginnen. Zo werd hij een gewone fabrieksarbeider, het plebs van het plebs. Vader moest hard werken in de hitte en het vuil van de cokes. Ook was het ploegenwerk en de 38 uren week was nog niet uitgevonden. De zaterdag en de zondag werd er ook gewerkt. Dag in dag uit werden er briketten geschept om het vuur in de hoogovens aan de gang te houden. In het begin van de week kreeg iedere arbeider een gloednieuwe spade, houten blokken en een helm. De schep ging maar een week mee. Ze was letterlijk en figuurlijk kapot geschept. Toen Vic wat geld gespaard had kocht hij een klassieke Britse fiets. Een groene Raleigh en daar heb ik hem altijd mee zien heen en weer rijden. De solide tweewieler heeft het zelfs volgehouden totdat ik een jaar of 9 was. Dan werd er pas een nieuwe gekocht.

Toen Mama zwanger werd woonden Vic en Hilda nog steeds op de Hendriklei. Er was nog wel plaats voor hen. Maar het werd er ook nogal krap. Men had er zelfs in het begin nog geen douche. Iedereen ging een keer naar het badhuis naast den TIR om een bad te nemen. Men moest wachten tot oom Felix de keuken en de WC ruimte herinrichtte. Hij installeerde een douche, maar dat was maar in 1956 en toen woonden we al ergens anders. Er was wel een ruim balkon met uitzicht op de tuin van één van de binnenste koeren. In de zomer werd ik daar te zonnen gezet. Maar in de winter moest er gestookt worden om mij warm te houden. De verwarming was niet alles. Er was maar één centrale kachel in de living en met de deuren open kreeg men wel enkele kamers opgewarmd. Maar in de achterliggende slaapkamers bleef het koud. Zo moest men in de winter ontelbare keren de trappen opklimmen met twee kolenemmers. Vic had al genoeg cokes en kolen geschept in zijn leven. Als hij nu nog kolen moest scheppen ging hij dat in zijn eigen appartement doen, mopperde hij. Hij had gelijk, vond zijn vrouw en zo begonnen ze plannen te maken om te gaan verhuizen. Hilda had het bureel van de huisvestingsmaatschappij bezocht. Deze woningmaatschappij had het jonge paar de nodige formulieren gegeven om een aanvraag in te dienen. Natuurlijk had oom Felix wat geholpen. Hij was zo wat de raadsman van heel de familie, hij had hen ook naar de katholieke ziekenkas gestuurd en daar was Hilda reeds jaren lid van. Victor werd dan ook hun eerste Britse aanwinst. Daarom toonde Richard De Vos ook belangstelling voor het jonge paar. De vertegenwoordiger van de ACV beloofde hen te helpen met het zoeken naar een geschikte woning. Richard was een opkomend jong politicus en zetelde mee in de raad van bestuur van de Huisvesting. Hij ging zeker en vast hun dossier mee helpen opvolgen. Maar het ging allemaal niet zo vlug als ze verwacht hadden. Een groot deel van de blokken werden gerestaureerd en toen ik er was hebben we toch nog een aantal jaren bij grootmoe moeten blijven slapen.

Mijn schoonvader – de onbekende held

‘Lijd met de anderen, als een goed soldaat’ (2 Timotëus 2:3)

Mijn vader werd opgeroepen onder de wapenen en vocht tegen de bezetter op de traditionele manier. Hij diende in het Britse leger dat op zijn beurt een onderdeel was van het grote Geallieerde Leger waar ook de Canadezen, Amerikanen en Russen hun deel in deden. Ik mag natuurlijk ook de gevluchte Europeanen niet vergeten, mensen van bij ons die bereidwillig bij eenheden van dit grote leger dienden, maar niet iedereen had het voorrecht of de kans om in dat leger te mogen dienen. Mannen en vrouwen die in een land woonden dat door de Nazi’s bezet was, hadden de keuze om zoals velen van hen gewoonweg niks te doen en de geschiedenis zijn gang laten of ze konden zich verenigen als een handvol gemotiveerde strijders en terug te slaan tegen het juk van de gewelddadige bezetter. Deze mannen en vrouwen verzamelden zich bij het verzet, werden partizanen en werden lid van een ondergronds leger. Daarom wil ik het hier in het bijzonder hebben over mijn onbekende schoonvader, Leon Toté. De man die ik nooit gekend heb. Hij was een trouwe echtgenoot, een beminde vader van twee kinderen en werd vereerd als een grote held binnen en buiten de familiekring. Voor mijn echtgenote en mij blijft hij een groot mysterie en een enigma van formaat. Ieder land of natie met een oorlogsverleden heeft wel eens een monument voor de onbekende soldaat gebouwd. Het is een praalgraf waarin zich de resten bevinden van één of meerdere naamloze gesneuvelde soldaten van de oorlog. Het gezin Toté kent ook zo’n onbekende soldaat, maar ik noem hem de onbekende held. Leon was misschien niet volgens de officiële terminologie een soldaat te noemen, maar niettemin was hij een groot verzetstrijder en toen mijn vader in 1944 met de landing in Normandië bezig was, trok Leon al een hele tijd met het verzet in Vlaanderen op. Wat geen eenvoudige zaak werd. Hij zat vol vuur en geloofde in de goede zaak, alhoewel later zou blijken dat het Verzet een zevenkoppige draak was en dat de linkerhand niet wist wat de rechterhand deed. Leon Toté werd in 1912 geboren, woonde als knaap op de Linkeroever en ging daar ook naar school. Leon deed zijn intrede in het openbaar onderwijs op 11-jarige leeftijd in de nieuwe officiële school, die in september 1923 geopend werd op de Linkeroever, na de aanhechting van dit gebied bij de stad Antwerpen. Het lerarenkorps noemde hem al vlug onze “Pit” omdat ze aanvoelden dat er kruim in dat kereltje zat. Leon was van huize uit een rakker van de waterkant, maar zijn stokpaardje was de wielersport. Natuurlijk was Leon een goede leerling en een echte “spitvil”, maar in de omgang met zijn maatjes, en met het personeel was hij een voorbeeld van lieftalligheid en natuurlijke voorkomendheid. Aan Frans en muziek had hij een broertje dood en dat leek even een hinderpaal bij zijn toelating tot de normaalschool. Gelukkig leerde hij alles van buiten en slaagde zo voor het toelatingsexamen. Tijdens zijn pril studentenleven was hij reeds wat hij bleef tot het bitter einde: een taaie werker, doordrijvend, iemand met een gouden hart.

Leon hoorde in de normaalschool bij de lichting of de mannen van promotie 1932. Het was een plezierige tijd, waarin de vriendschapsbanden zo hecht waren dat ze zelfs in het studentikoze dwaas-zijn de eerbied van hun verbolgen-doende leraren en directeur afdwongen. Met zijn beste maten vormde hij de bende van de drie musketiers. Tijdens een vakantie sprongen ze op de fiets en reden een ronde van België en Groothertogdom Luxemburg. Leon werd uiteindelijk leraar en zijn eerste onderwijzersjaren bracht hij door in het vredige Oorderen. Al vlug werd hij militant en zette zijn eerste stappen in de goede oude Centrale van het Socialistisch Onderwijzend Personeel. Leon had eigenlijk een zendelingennatuur. Hij deed alles zonder aanstellerij: het moeilijkste, het meest inspannende, het meest ondankbare werk als de gewoonste zaak van de wereld. Anderen kenden hem uit de Arbeidersbeweging en uit het Verzet.

Het Verzet en de cel Socrates

In 1944 zat Leon bij het Verzet. Hij heeft er in gezelschap nooit over gesproken. Hij was geen bluffer en hij had zeker zijn mening over zekere gebeurtenissen na de bevrijding. Ik weet niet of mijn vader en Leon het met elkaar zouden eens geworden zijn, mijn vader had het niet echt voor de Witte Brigade. Hij had ook zo zijn mening over die verhitte scènes na de bevrijding. Er zijn natuurlijk enorm wat vergissingen gebeurd bij het zoeken naar landverraders, maar ik denk wel dat ze beiden elkaar de hand zouden gedrukt hebben, ze streden immers voor dezelfde zaak en toen vader van de dochter van Leon vernam dat hij gestrande Britse piloten via het netwerk van de Weerstand naar Engeland smokkelde was de kous af. Laat ons daarom nuchter blijven en bekennen dat er toen heel wat brave lieden waren, die vonden dat de Engelsen en de Russen en de Amerikanen, het bloedige zaakje maar moesten opknappen. Ze durfden geen sluikblaadje in hun handen te nemen, ze durfden geen frank geven, bestemd voor de steun voor onderduikers omdat je nooit kon weten wat je je daarmee op de hals kon halen. Wel, in die tijd, in die omstandigheden bezorgde Leon Toté een paar miljoen frank aan werkweigeraars en illegale strijders, wist hij Joodse kinderen onder te brengen, verspreidde hij sluikbladen, transporteerde hij wapens, munitie en sabotagematerieel, was betrokken bij nachtelijke parachutedroppings, gaf hij militaire documenten, “echte” identiteitskaarten, werkbewijzen en legitimatiekaarten door. Leon was een grote held. Een man met een raadselachtige glimlach. Geen kartonnen Errol Flynn of een zwart witte Humfrey Bogart. Maar een echte boom van een vent, een strijder van het eerste uur en een kerel van de Weerstand. Hij ging door tot het bittere einde. We gaan terug naar begin juli 1944. Leon had zijn laatste wapentransport opgeknapt en toen ontdekte hij dat er verraad gepleegd werd. Zelfs zijn eigen volk was niet te vertrouwen en een maand later werd hij aangehouden. Er waren plots ledenlijsten bij de Nazi’s opgedoken en zijn naam was er bij. De Duitsers en de heren Dietsers hebben hem geslagen en gemarteld. Maar hij heeft hun niets verteld. Zijn makkers, die bij de wapenaffaire betrokken waren geweest, hoefden zich niet te verontrusten. In de maand augustus van 1944 trachtte hij nog zo veel mensen van het nakende onheil op de hoogte te brengen. Het was een prachtige namiddag, goed vliegweer noemde men dat in die tijd. Verkleed kwam hij aan de deur van één van zijn beste vrienden staan. Hij zag er raar uit. Hij droeg een scheiding in zijn haar. Leon had het vlug geverfd en sluiks op zijn hoofd gekleefd. Hij droeg een pak dat niemand kende en hij had zijn groene fiets voor een zwarte geruild. Vlug belde hij aan. Toen zijn kameraad opendeed zag hij dat Leon niet kon lachen. “Jan, pak je weg, jongen, zo vlug mogelijk. Er is verraad in het spel. Pas voor M.” Jan Ceuleers deed teken om binnen te komen. Maar Leon weigerde. “Neen, ik kom niet binnen. Ze zitten me op de hielen, ik heb geen tijd te verliezen, ik ben van zins naar Engeland te trekken. Ben jij klaar met die twee laatste identiteitskaarten, want de jongens wachten daarop en ik heb ze hen beloofd.” Jan begreep zijn haast en overhandigde Leon de documenten. “Ha, dank je. Ik ga er vandoor. Maak jij ook dat je wegkomt, Jan, jouw rekening is gemaakt, als ze jou te pakken krijgen, jongen.” Natuurlijk kregen ze Jan Ceuleers niet te pakken, want Leon Toté had speciaal voor hem een omweg langs zijn huis gemaakt en kort daarop werd er geschoten in de Barreelstraat. Ze schoten op Leon. Maar een taaie kerel geeft zich niet goedschiks over. Ze hebben er moeten om vechten. Leon kon echter niet weg, want hij was omsingeld. Een half uur later dropte de Duitsers hem al bij de Duitse veiligheidsdienst. De eerste ondervragingsronde in de “Sicherheitsdienst” kon beginnen en daar eindigde het niet.

Breendonk en andere gruwelijkheden

Vrijdagavond vallen de SD’ers Ferdinand Frankenstein en Willy Van De Velde bij Hilda Daneels en Dirk Sevens binnen. Sevens was een onkreukbare substituut die in opdracht van de clandestiene organisatie Socrates ondergedoken verzetslieden helpt. Leon Toté was één van zijn contactpersonen. De substituut wordt ook naar de Konigin Elisabethlaan 22 gevoerd om ondervraagd te worden. Hilda wordt in de Begijnenstraat opgesloten terwijl haar echtgenoot met onderwijzer Leon Toté wordt geconfronteerd. Maar de confrontatie levert niets op. De twee mannen worden samen met een derde, een student, Lodewijk Grare, in een cel op gesloten. De volgende dag worden ze met een bestelwagen naar Breendonk gebracht. Dirk Sevens overleefd de martelingen en de bijtende koude niet en sterft de zondag in de cel bij Jules Palier, de postzegelverzamelaar. Twee soldaten krijgen de opdracht om zijn lichaam in een kist te leggen en op een onbekende plek te begraven. Eind augustus rukken de Geallieerden op en de leiding van Breendonk wordt zenuwachtig. In alle haast worden er transporten op gang gebracht om de gevangenen van België naar Nederland te verschepen. Op 31 augustus rijden bussen van de maatschappij “Lux” 150 gedetineerden naar Vught in Nederland. De helse rit duurt 12 uren. Geradbraakt wringen de passagiers zich met hun armzalige bagage naar buiten en lopen achter elkaar door het hek. De kampleider kijkt hen onthutst aan. “In Breendonk werden jullie toch door Vlaamse mensen bewaakt”, zegt hij verbaasd tegen Leon Toté. “Pardon, het waren geen mensen maar wilde dieren.”, verbetert de Antwerpenaar hem. “Ik heb nog nooit zo’n zielige troep gevangenen gezien.”,gaat de kampleider verder. “Het is de eerste en meteen de laatste keer dat ze me met zo’n bende opzadelen.” Terwijl Toté wordt ingeschreven kijkt hij naar de oudste gevangene van zijn groep. De oude Poswick heeft het echter niet gehaald. Hij zit sereen op een stoel en is daar voor immer ingeslapen. Voor Leon Toté is Vught (Nederland) maar een tussenhalte naar het kamp in Sachsenhausen.

Een kaartje uit Zweden

Na de bevrijding van Antwerpen ging het leven zijn gangetje, maar thuis bij de familie Toté ging het er beroerd aan toe. Er was nog steeds geen nieuws van hun zoon. Celine en moeder Toté baden en hoopten op een brief van hun echtgenoot en zoon. Maar er kwam geen verlossende tijding, de dagen gingen voorbij en de hoop op goed nieuws verdween met de noorderzon. De angst sloeg hen om het hart. Leefde Leon nog of was hij in een niet nader te bepalen concentratiekamp gestorven? Bij zijn ouders valt er kaartje in de bus. Het wachten is voorbij, meldde haar opgewonden schoonouders Celine met blijdschap. Samen herlezen ze het bericht vol opluchting. De grapjas stuurde zijn geschrokken ouders een kaartje uit Trelleborg in Zweden om hen gerust te stellen.

Beste Ouders, Je zoon leeft! Ik hoop dat de vreselijke bombardementen, die Antwerpen geteisterd hebben je ongedeerd hebben gelaten. Ik ben gezond en wel in Zweden aangekomen. Droevig zal achteraf de balans blijken; duizenden gefusilleerden, opgehangenen en doden, tengevolge van ziekte, uitputting en koude. We leefden zonder eten, zonder kleren, zonder medicamenten. We moesten hard en lang werken en kregen veel slaag. Nu zijn we veilig in het gastvrije Zweden. We zijn hier triomfantelijk ontvangen en hebben nu niets meer te kort. Vier mei was onze eerste mei aan boord van een Zweeds Rode Kruis schip. Een vrije één mei! Dikke tranen rolden me van de wangen wanneer we voet zetten op de Zweedse bodem. Bevrijd! - Maar weer eens twee doden aan boord en tientallen levende geraamtes op de 400 kameraden. Dikke tranen! Maar dikker zullen ze nog zijn wanneer in de verte O.L.V. toren zal opduiken, wanneer we de gangway zullen aflopen op de Antwerpse kade, wanneer ik je allen zal terugzien, want je weet niet hoeveel ik wel van je houd. Moeder, ik bewonder je, jij, die je ganse leven te veel heeft afgesloofd. Hoe was je immer bezorgd en bekommerd om me. Wat moet je nu angst hebben doorstaan! Vader, naar jou kijk ik op met bewondering. Wat hebben we samen heerlijke momenten doorgemaakt. Weet je het nog? Kolen rapen, de Lonie, lantaren dragen, 15, 20, 43 zakken, die ochtend de boterham met gekookt spek en mosterd, dat is al zo lang geleden! Weet ge nog ons werk op de hof van Dina, aardappels steken in de hete zomer, wat bier gaan halen, een vuurtje stoken, onze vele vispartijtjes, onze nachtelijke tochten. Wat heerlijke herinneringen! Vader eigenlijk ben jij mijn God, wist je dat wel! En hoe gaat het met mijn lieve Celine? Wat zal ze ook verdriet en schrik hebben gehad! En mijn zus, en Fons? Angeleke en Juliette zullen nu wel heel wat gegroeid zijn. Laat al mijn groeten overbrengen aan al mijn vrienden en kennissen. En onze repatriëring? Het zal één, drie of zes maanden aanslepen. Misschien wacht onze regering wel tot de bevoorrading in België genormaliseerd is. Is het werkelijk zo erg in België? Ik overleefde de revolverschoten in de Bareelstraat op het Kiel, waarvan één op drie meter afstand mij uiteraard miste. Dan volgden vreselijke slagen en folteringen in het Gestapo gebouw en later in Breendonk. De reis naar Vught in Holland was het vreselijkste dat ik ooit heb meegemaakt. Dan volgde de reizen naar Oraniënburg en naar Hamburg (kamp Neuengamme). We leden daar aan het schurft, de luizen, de diaree, de dissentrie en tien dagen op de kade in het luik van een schip te Lübeek, de koude, de honger en de ziekten dat alles zijn wij doorgekomen. Waarom zouden we nu niet geduldig wachten, hier in Zweden, waar we als in een hemel ontvangen zijn. We zijn gans in het nieuw gestoken. Ik had mijn stuk hemd aan sinds 31 december 1944! We worden uitstekend gevoed. De bevolking overstelpt ons met chocolade, patisserie en andere lekkernijen en alles van een kwaliteit zoals we die in België niet kennen, vooral de patisserie niet! Wat een lekkere vis en sigaretten in overvloed. Het land van onze koningin Astrid is nu ook voor ons een werkelijk sprookjesland geworden. Beste ouders tot weldra

Je Leon  

Leon had de concentratiekampen, de hel van de nazi’s overleefd. Mager, uitgeput, bijna opgeleefd geraakt hij na de ineenstorting van Duitsland in Zweden en duikt midden 1945 terug op in hun midden. Leon Toté is voor mij de schoonvader die ik nooit persoonlijk gekend heb. Maar Leon, de man van de ACOD, op nationaal en lokaal niveau, kwam helaas in 1953 om het leven in een auto-ongeval en daarom moet ik mijn ontmoeting met hem wat uitstellen. Dan verwijs ik naar andere tijden. Wanneer de dood verbannen wordt en wanneer we elkaar kunnen ontmoeten aan die andere oever van het meer.

De schepping herverteld

We doen hier een gok naar de dag en het uur van de daad, het samensmelten van man en vrouw werkt altijd als pure rockmuziek en het is nog steeds een olympisch hoogtepunt in ons kort bestaan. De vurige en intieme dialoog tussen die twee werd een niet te missen evenement van grote klasse. Een ware botsing van titanen in het bed van mijn grootouders. Mijn ouders huwden in juli 1947. Het jonge paar woonde nog bij de ouders van Hilda in de blokken van het Kiel. Dat was dan ook de plek waar het moet gebeurd zijn en op het moment van de grandioze finale schudde de flat door mekaar. Enkele onthutste Kielenaars dachten dat de V-bommen terug waren. Voor Vic en Hilda bleek deze opvoering voor herhaling vatbaar. De telg die verwekt werd droeg de genetische code van een Brits-Belgische meltdown. Als een donderslag bij heldere hemel kwam ik op visite. Het groeiproces duurde wel een maand of acht. Spijtig genoeg geen negen. Maar ik moet toegeven, het blijft een wonder, want waar ik in ‘real time’ vandaan kwam daar kon men geen antwoord op geven. Dat was iedereen blijkbaar vergeten. De rups moest nog een vlinder worden. De slierten van de oerknal en de sluiers van de macrokosmos verduisterden de oorsprong van mijn oorsprong. Mijn voorbestaan was slechts een vage droom. Plots zat ik op een glijbaan naar een nieuwe wereld. De lichtheid van mijn bestaan veranderde in een oogwenk. De plek waar onze eeuwige Vader en Moeder regeerden werd uit mijn geheugen gewist. Het lied van de morgensterren vervaagde en ik maakte een lichtsprong van vreugde. De reis naar de Aarde ving aan en een microseconde later schoot ik ten Oosten van Eden de schitterende poorten van het paradijs voorbij. Mijn geest van het verleden ontmoette de materie van het heden. De celdeling was reeds begonnen. Ik werd ondergedompeld in een beschermende vloeistof en mijn omhulsel kwam tot leven. Ik herkende mijn tweede staat en de engel in mij worstelde met een cocon van vlees en bloed. Mijn biologische tijdsmachine begon te tikken en ik strandde in het jaar 1948.

15 mei 1948 – Daar ben ik dan

‘Een kind werd hen geboren, een zoon werd hen gegeven.’

In mijn geboortejaar werd Noord-Korea gesticht. Op 7 april werd de World Health Organization (WHO) opgericht en moest ik nog wat wachten op mijn wereldreis onder de mensen. De natuurlijke verdeling van mijn eerste ratsoen moedermelk zat in de borsten van mijn moeder nog te gisten. In de nacht van 14 op 15 mei werd in het Museum van Tel Aviv de nieuwe staat Israël uitgeroepen door David Ben Goerion, de eerste premier van het land. De volgende dag loopt ook het Brits mandaat over Palestina op zijn einde en terwijl ik ter wereld kom erkent de VS als eerste de staat Israël. Dit gebeurd door de Verenigde Naties onder president Harry Truman en wordt vervolgens door de Sovjet-Unie onder Joseph Stalin bekrachtigd. Zoals ik reeds zei – werd ik te vroeg geboren. Dit frivool “prematureke” belde een maand te vroeg aan. Acht heerlijke maanden dreef ik tevreden in de moederschoot rond en toen liep mijn genetische wekker af. Alhoewel ik daar sterk aan twijfel. Mijn moeder vertelde me dat dokter Vreemde het verkeerd voor had. Hij stuurde haar naar de kliniek in de Vinkenstraat om te bevallen. Veel te vroeg, zei moeder. Maar Vreemde zei dat ze reeds opening had. Vader en moeder snelden met de tram naar de Vinkenstraat en het aardse leven wenkte me. Daar in het moederhuis gebeurde er van alles. Maar voor mijn moeder waren het drie lange en enge dagen. Op zondag gleed ik het dal der smarten binnen, een omgeving die voor mij geheel nieuw was. Ik huil en de Egyptische luchtmacht bombardeert Tel Aviv en ook andere Arabische landen vallen Israël aan. In tussen verliep mijn geboorte niet echt van een leien dakje. Er werd veel gezwoegd door mijn moeder. De vroedvrouw haalde een blauw spartelend ding uit haar schoot. Een enigszins verkleurde, maar schijnbaar normaal en afschuwelijk grijnzende baby werd op doeken gelegd. Het eindresultaat van het echtelijk gestoei onder de lakens. Daar lag ik dan nat en vies naar adem te snakken. De vroedvrouw toonde mij aan mijn ouders. Vader telde de rimpels in mijn smoelwerk. “Een vuile rat!”, zei hij opgewekt. Maar dat werd ons eerste dispuut. Ik kleurde blauw van pure woede. Mijn moeder vond het maar niks. Het was een lelijke bijnaam. Zeker Britse humor, zei moeder en kon er niet mee lachen, maar vader wel. Gelukkig koos moeder voor haar levende knuffelpop een andere koosnaampje. De arts vond mij te klein en te zwak en de verpleegsters kregen de opdracht van de verloskundige om mij in een couveuse te stoppen. Ik moest op krachten komen. Terwijl de verpleegsters mij in Antwerpen naar mijn glazen paleis verhuizen slaat men honderden kilometers verder in Israël snel terug. Dit is het begin van de eerste oorlog tussen diverse Arabische landen (waaronder Egypte, Syrië en Jordanië) en Israël. Mijn vader hoorde van de aanval op Israël en vertelde het aan zijn vrouwtje. Maar het nieuws schokte hen niet. Ze waren meer gewoon. Ze hadden zojuist de tweede wereldoorlog overleefd. De ophefmakende nieuwsberichten konden hen gestolen worden. Hun prioriteiten lagen bij hun pasgeboren zoon. Ik was voorlopig de oogappel van ons Brits/Vlaams gezin en daar kon ik best mee leven. Maar in het hospitaal verliep niet alles zoals het hoorde. Met moeder ging het niet zo best. Bij de borstvoeding kwamen er al vlug complicaties en Hilda lag met zwerende borsten in de kliniek. Dokter Vreemde liet de zusters koude kompressen leggen. Vermoedelijk ging daar mis. Moesten dat er geen hete doeken geweest zijn, om de zweren open te trekken en de vuiligheid er uit te laten vloeien. De kraamkliniek en de witte zusters menen van niet en moeder werd al vlug naar huis gestuurd met de boodschap dat ze daar maar op krachten moet zien te komen. Gelukkig komt dokter Franks, de huisarts, de ontsteking op haar borsten dagelijks verzorgen. Moeder krijgt penicilline spuiten, maar moeders borsten zullen haar zwak punt blijven en zelfs met de andere kinderen zullen abcessen teruggekomen. Wat veel later de aanleiding zal zijn van haar borstamputaties. Maar ondertussen staat de wereld ook niet stil en is het niet alleen moeder die het moeilijk heeft. Want terwijl ik vredig in mijn wiegje sliep, werden op 9 juni de Sovjetmaatregelen ter beperking van het verkeer tussen Oost en West Berlijn verscherpt. Op grote schaal werden door de Amerikanen en later ook door de Britten vliegtuigen ingezet voor een luchtbrug naar de Westerse enclave en zo startte de befaamde ‘Koude Oorlog’ op. Gelukkig stond ik thuis in het centrum van de belangstelling en had ik mijn natuurlijke luchtbrug om op terug te vallen. Ik werd gevoed, gewassen, gekleed en gekoesterd en toen vader en moeder voor mij op 28 juni een slaapliedje zongen, hebben er in Tukai, Japan, aardbevingen plaats die veel schade aanrichten. Op 4 september ben ik bijna drie maanden oud en dan neemt Wilhelmina afscheidt van de troon en wordt Juliana Koningin der Nederlanden. Op 10 december wordt ik warm ingeduffeld, terwijl men de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens ondertekend en in Zuid-Afrika ziet men er geen graten in om het systeem van Apartheid in te voeren. De Colombiaanse presidentskandidaat Gaitán wordt vermoordt en dit is de start van bloedige onlusten. Maar ik weet daar niks van en giechel en zever er lustig op los. Oom Felix waagt zich er aan om mijn luier te verschonen. Die handeling leek wel brood nodig te zijn, want mijn broekje stonk. Maar de grote handen van Felix voelde koud aan. Dan was er het voortdurende gluurwerk van tante Angéle en die verrukte kreten van moemoe van bewondering kreeg ik het langzamerhand op mijn heupjes. Zagen ze dan niet dat ik last had van geboorte stress. Ik was hier nog maar pas en er was al heibel. Men trachtte mijn pas verworven vrijheden aan banden te leggen. Daarom uitte ik mijn vrije wil door luidkeels protest aan te tekenen. Ik zette mijn klein smoelwerk open.

De Kielse Rat

Ik kreeg de voornaam van mijn Britse grootvader die ik nooit heb gekend. George is ook de naam van enkele Britse koningen en “last but not least” is er die befaamde ridder die de draak doodde. Met de draak wordt de duivel, de slang of de Satan bedoeld. In onze gewesten wordt deze heilige, Sint Joris genoemd en bepaalde barbaren in mijn omgeving durven mij al eens “Jos” noemen, maar die naam kan ik niet uitstaan. Toch wordt George of Joris in verband gebracht met Sint Michael, de aartsengel. Zijn figuur stond vroeger op de pakjes sigaretten gedrukt. Die gevleugelde gast met zijn groot zwaard. De Groene Michel. Straffe toebak! Alhoewel engelen geen vleugelen hebben. Maar dan verstrikken we ons weer in de theologie en daar ik niet rook kan er geen sprake van straffe tabak zijn, maar wel van ‘n straffe gast! Toen ik klein was zette mijn moeder mij in de zware kinderwagen. Een witte koets met een donkerblauw dak. Voorzichtig werd ik lekker warm ingeduffeld en dan ging heel de familie op stap. In die tijd deden we alles te voet. De kinderwagen mocht niet mee op de tram en zo werd er kilometers en kilometers ver gestapt. De trammannen waren toen heel streng en niemand riskeerde het om hun autoriteit te betwisten. Daarom waren er toen geen spontane stakingen van het trampersoneel te bespeuren, want er was geen geweld op de tram te noteren. Maar goed ik wijk af van mijn verhaal. Ik had het over onze goedkope en gezonde vorm van therapie, namelijk het wandelen. De wandelwoede werd door onze joviale huisarts, dokter Theerens, bij de familie geïntroduceerd. Hij begreep dat vader het niet breed had, met een minderwaardigheidsgevoel zat en tegen een chronisch gevoel van heimwee opbokste. Dat gaf al eens wat spanningen in huis en die kon Victor niet vrijelijk uiten omdat er steeds andere familieleden in de buurt waren. Onze arts gaf moeder en vader de goede raad om regelmatig te gaan stappen. Geniet van de goede lucht, de natuur en wandel bespreek je zorgen onderweg. Zo klonk zijn wijze raad. In ons jong gezin was het dus niet altijd rozengeur en maneschijn. Vader had al eens kopzorgen. Het was de tijd dat de roman ‘van moeder waarom leven wij?’ zijn vraag bij ons rondbazuinde en niemand had er een antwoord op. Het leven was een soep en wij waren de bollekes en ik was te klein om diepgewortelde existentialistische vragen op te lossen. Hij wilde graag naar huis terug en om dat wat te vergeten trokken we er op uit om onze benen uit te slaan. Zo wandelden vader en moeder met mij van het Kiel op en neer. We reden cirkels om het Cockx pleinn trokken langs de St. Bernardse steenweg. Verkenden de winkels in de Abdijstraat en bezochten de familie Peeters-Faes in de noodwoningen op de Polder. Volgens Frans en Felix woonden Oom Albert Peeters, tante Margriet, Rita en Jean al een hele poos tussen de zigeuners van het Zuid. Dat was natuurlijk niet zo, maar zij hadden van de Stad en de huisvestingsmaatschappij een blokhut gekregen als een tijdelijke oplossing. De echte zigeuners woonden iets verder op in de buurt. Zij sloegen hun woonwagens op aan de oever van de vaart. De familie Peeters hoopte dat de blokken van het plein vlug gerestaureerd zouden zijn en dat zij vlug een nieuw appartement op het Kiel zouden kunnen huren. Als we daar aankwamen dan namen onze oom en tante ons mee naar de waterkant. Later als ik een jaar of tien was zou ik daar ook een goede jeugdvriend leren kennen. Françis Houvenaeghel zou me op school verschillende keren vergezellen. In de zomer was het daar altijd gezellig. Ik werd dan uit de kinderwagen genomen en op het gras gelegd. Er werd wat geluierd en van de warmte van de zon genoten. Rita en Jean hielpen mij mijn eerste stapjes doen en stoeiden wat met mij. De mensen uit de buurt gingen ook zwemmen in de vaart. Maar dat was voor de moedige elementen uit de wijk. Niet iedereen in die tijd kon echt goed zwemmen.

1949 – De eerste veranderingen

‘You are my sunshine, my only sunshine’

In de winter krijg ik een lekker warm bad in de buurt van de kachel en op 25 januari werd de Comecon opgericht. Dit is de Raad voor Wederzijdse Economische Hulp, de economische samenwerkingsorganisatie van communistische landen. Op 24 februari kruip ik giechelend rond in mijn apenpakje en tekende Israël de wapenstilstand met Egypte, Jordanië (3 april) en Syrië (20 juli) en de grenzen van Israël werden vastgelegd (tot oorlog 1967). Israël wordt toegelaten tot de Verenigde Naties en David Ben Goerion wordt gekozen tot eerste minister-president. De Lente is in het land en op 4 april mag ik in de kinderwagen plaatsnemen terwijl de NAVO, de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie wordt opgericht en het statuut van de Raad van Europa wordt getekend door 10 West-Europese landen. Op onze vele wandelingen duwden mijn moeder en vader ieder afwisselend aan de kinderwagen. Schijnbaar waren ze het in Antwerpen niet gewoon dat een man de kinderwagen overnam van zijn vrouw en zo kreeg vader kreeg al eens een verwijt naar zijn hoofd geslingerd. Misschien maaide hij de voetgangers wel van het trottoir. Hij was de taal niet goed meester, vroeg op zijn beste Antwerps dan om te passeren en toen kreeg hij het woord ‘vuile jood’ naar zijn hoofd geslingerd. Nochtans droeg vader helemaal geen joodse kledij. Was het misschien zijn Brits kostuum dat aanstoot gaf? Kenden de mensen Vic nog niet zo goed? Ik weet het niet. Maar met de tijd loste het probleem zich zelf op. Na een paar weken op het Kiel te hebben rond gelopen, met de crème kleurige kinderwagen met donkerblauwe kap, wisten de Kielenaars dat de Engelsman met Hilda getrouwd was. Zoals iedere rasechte Kielse rat moet ik erkennen dat de Abdijstraat de wandelplaats bij uitstek was voor ons gezin. Deze winkelstraat, de Meir van het Kiel, was na de oorlog een druk bezochte straat. Men liep er heen en weer om opgemerkt te worden. Ik verzeilde daar bijna dagelijks, was het niet met vader en moeder, dan was het moemoe en een tante. Vader stopte al eens op de hoek van de Abdijstraat om een pint bier te drinken. Vader rookte toen nog. Niet veel, maar occasioneel stak hij een Tigra op. Maar zijn voorkeur ging uit naar een pijp. Moeder moest dan een Guinness of een ander donker bier proeven en mijn kinderwagen werd dan aan de kant gezet. Ik mocht dan even wat onbeschermd liggen knikkebollen terwijl de luitjes van hun natje en droogje genoten. Moeder zorgde altijd zorgvuldig voor onze kledij en alhoewel we niet veel geld bezaten waren allemaal vrij goed gekleed in die tijd. Hilda verzorgde de kostuums van vader tot in de puntjes en vader kon regelmatig morren over het stijfsel in zijn hemden. Hilda zocht een geschikt patroontje of kopieerde iets uit een Britse modeblad. Ik herinner me dat er al vroeg Woman en Woman’s Own op onze livingtafel lag. Moeder las dit om haar Engels op peil te houden en om bij te blijven met de laatste Britse modesnufjes.

Iets voor mijn eerste verjaardag op 12 mei werd de geallieerde blokkade van Berlijn opgeheven en op 15 mei 1949 werd ik 1 jaar. Ik werd vertroeteld door de familieleden, schopte wat met mijn beentjes en kreeg een jasje met een kap en er werden vrij veel kiekjes van me genomen. Mijn moeder straalde van geluk met haar kleine pagadder die zijn eerste pasjes deed. In augustus verkruimelde mijn moeder zorgvuldig een Betterfood beschuit, plette een banaan en voegde er appelsiensap aan toe en mijn fruitpap was klaar. Het was ook het begin van de Vredesconferentie in Den Haag, maar ik smakte luid met mijn lippen. Ik nam vrede met de eetbare brei. De wereldvrede stilte mijn honger niet echt en daarom interesseerde mij het nieuws niet dat uit de oude lampenradio kwam. Op 29 augustus testte de Sovjetunie zijn eerste atoombom en ik lichtte groen op toen de straling mij bereikte. Natuurlijk is dat niet waar. Ik had enkel last van de hitte van de zomerzon. Op 21 september laat moeder mij los op het Cockx plein en begint een babbel met een vriendin uit de Jan Davidlei. Diezelfde dag wordt de Bondsrepubliek Duitsland (West Duitsland) opgericht en op 22 september wordt de Nederlandse gulden met dertig procent gedevalueerd in een poging van minister Lieftinck om Nederland aantrekkelijk te maken voor buitenlandse investeerders. Ik moet spijtig genoeg toegeven dat ik me niet veel van die devaluatie herinner. Wel weet ik dat de Belgen zich klaar maakten om in Nederland koopjes te gaan doen. Op 30 september mag ik van de laatste zonneschijn genieten terwijl het ‘ Occupation Statute’ in Duitsland in werking treedt en de blokkade van Berlijn wordt opgeheven. Ik weet dat ik warm aangekleed naar het ‘Kinderheil’ gevoerd werd in mijn kinderwagen. Dat was in de school van de Van Peenestraat. In dat roemvolle gebouw zou ik later mijn korte broek slijten. Op de bovenste verdieping bevonden zich een aantal artsen en verpleegsters. Op 1 oktober wordt de Chinese Volksrepubliek uitgeroepen onder ‘Eerste Voorzitter’ Mao Tse Tung. De Chinese nationalisten vluchten naar Formosa, het latere Taiwan. Iedere woensdag kon men in het kinderheil in de namiddag zijn baby laten wegen onder leiding van een bekwame arts. Ik kreeg daar mijn eerste prikken in mijn billetjes en dan werd ik terug aangekleed en mocht ik naar huis. Op 7 oktober gaan we bij oom Jef en tante Mariette op bezoek en wordt De DDR (Duitse Democratische republiek) uitgeroepen tot een onafhankelijke staat. In november breit moemoe een mutsje voor mij en neemt de Russische maarschalk het opperbevel van Pools leger over. Hier en daar duiken er wat vage beelden uit vervlogen tijden. Gelukkig heeft moeder een oude doos met vergeelde foto’s en als ik daar in rommel dan durft mijn biologische database al eens reageren en zo herontdek ik het kleurvolle appartement van mijn grootouders. Met Kerst komt iedereen bij moemoe aanbellen en omdat wij daar nog steeds wonen, zijn wij ook van de partij. Vader heeft een doos Xmas crackers gekocht. Na het knallen worden er hoedjes uit de verpakking getoverd. Op 27 december tekenen Koningin Juliana en President Soekarno het onafhankelijkheidverdrag van Indonesië en ik zit knus en warm thuis bij moemoe en oom Felix. Ma en Pa zijn naar de stad gaan winkelen. Ik koester mij aan de grote gietijzeren kachel en oom Felix zet een 78 toeren plaat op. Tante Mariette is op bezoek en speelt met mijn tenen.

Katholiek, rood en Anglicaans

Zoals iedereen in katholiek België werd ik spijtig genoeg ook in de katholieke kerk gedoopt. Nochtans behoorde mijn vader nog steeds bij de Kerk van Engeland en was hij protestants. Niet dat hij hoog opliep met de Anglicaanse kerk. Vic geloofde wel in God, was in Engeland naar de zondagsschool geweest en had bij de welpen van de parochie van Faringdon gespeeld. Vic herinnerde zich nog dat hij met zijn jongere broer lekker in de bossen en velden verstoppertje speelde. Hilda daarentegen was net als al de andere Faes-genoten vrij standaard katholiek grootgebracht. Moeder had haar plechtige communie gedaan, was door de nonnen opgevoed en had steeds naar het katholiek onderwijs geweest. Niet dat er niet naar het Stedelijk Onderwijs werd gegaan. Oom Felix was nog naar de Quellinstraat geweest en had ook ooit voor leraar willen gaan studeren. Maar dat is er nooit van gekomen. Maar al vlug hing er over de familie de rode schaduw van de vernieuwing, die het Vlaams gevoel en het katholiek gebeuren wat verwaterde. Het overgrote deel der mannen werkte bij de Stad. Mijn grootvader werkte als schilder bij Openbare Werken en oom Felix was sluiswachter bij de Haven. Zo kwamen vader en zoon Faes al gauw nauw in contact met de arbeidersbeweging en de socialistische stroming van die tijd. Iedereen las de Gazet van Antwerpen, maar oom Felix las als eerste de Volksgazet, wierp spontaan de Rode Vaan al eens op tafel en wat sommige heren en vrouwen binnen het gezin tijdens of na de oorlog van “den Duits” dachten gaf meer dan één keer aanleiding tot verhitte discussies. Vader kreeg er gewoonlijk hoofdpijn van. Hij kon met “den Duits” en het “Vlaams gevoel” niet lachen. Hilda en Vic waren voor de katholieke kerk getrouwd, maar af en toe bezochten zij ook het kleine Anglicaanse kerkje in de buurt van de Harmonie. Moeder vond het wel allemaal flauwekul, maar toen ze daar de vrouwengilde ontdekte ging ze wel geregeld naar het wekelijkse thee-uurtje. Al vlug at ze scones en taartjes eten met sterke thee of lauwe koffie. Het werd een echte gewoonte, een tweede natuur, maar wat ze wel kon missen dat waren de duivelse gesprekken. Die vlotte niet echt. Ze stuitte daar weer op de stugge houding van sommige Britten. Met de dames van het consulaat had ze geen last. Die hadden het jonge paar goed opgevangen, moeder aan een Brits paspoort geholpen en hen met hun huwelijk gelukgewenst. Ook John, de portier van het consulaat, die ook dienst deed als chauffeur, kende haar vrij goed. Hij had vroeger nog met Vic in het leger gediend en het ging er kameraadschappelijk aan toe. Maar er waren er anderen die dachten dat ze beter waren dan de aangetrouwde Britten. Vooral de hogere officieren en de beroepsmilitairen en hun gezinnen hadden het hoog in hun peer en daar kwam narigheid van.

Een schat van een dochter (mijn toekomstige echtgenote)

‘Dat onze dochters zijn als hoekzuilen.’ (Psalm 144:12)

Leon Toté scheidde van zijn eerste vrouw en leerde tijdens de oorlog de onderwijzeres Celine Deheyder kennen. Zij huwden in 1943 en in 1944 dacht Celine even dat zij haar Leon kwijt was. Maar hij overleefde de hel van de kampen en keerde in 1945 gezond en wel terug uit Zweden, waar hij verzorgd werd door de burgerbevolking. Het terugzien werd een groot feest en het paar bleef bij de ouders van Celine wonen in de Julius de Geyterstraat. Leon hervatte zijn werk als leerkracht en nam terug deel aan het vakbondswerk te Antwerpen. Daar werkte hij verder om het secretariaat van de lokale afdeling op de juiste koers te zetten. Na de oorlog groeide deze Antwerpse afdeling tot een sterke vakbond waarvan het gezag voortdurend toenam. Terwijl Leon zich inzette voor de goede zaak van het Onderwijs meldde zijn echtgenote hem heugelijk nieuws. Celine was zwanger en op 25 maart 1949 werd hen hun eerste dochter, Elsie Toté, geboren. Toen de vader het kleine wicht in zijn armen drukte was het voor Leon liefde op het eerste gezicht. Een echt lentekind. De flinke baby werd gekoesterd door man en vrouw. Menig keer nam Leon zijn dochter in zijn armen om met haar het feest van het leven van elke dag te vieren. Zoals altijd kregen man, vrouw en het kind nauwelijks wat rust, want de familieleden stonden zich te verdringen om het kleine feetje te bewonderen. Celine, die als een echte leeuwin haar welpin wilde beschermen, ergerde zich zeer sterk aan al die drukte. Ze was zelf nog niet volledig hersteld van de zware bevalling en het heen en weer geloop van de familie bracht haar helemaal van streek. Haar hoofd tolde en de hoofdpijn werd een vurige bol die plots uit mekaar scheen te spatten. Céline werd geveld door een hersenbloeding. Het hersenweefsel dat toen afstierf veroorzaakte een verlamming van de linkerkant van haar lichaam. Gelukkig sprongen grootmoeder en grootvader Deheyder dadelijk in de bres en zorgden voor Elsje en hun dochter. Leon sprak zijn echtgenote moed in. Hij begreep maar al te best dat de revalidatie lang kon aanslepen en dat zijn vrouw veel zelf moest doen om er terug boven op te komen. In die tijd was revalideren op je tanden bijten en doorzetten. Er waren toen nog geen aparte klinieken voor. Celine leerde met veel vallen en opstaan terug wandelen, maar ze werd niet de vrouw die vroeger was. Haar linker hand en voet herstelde niet volledig en wanneer ze vermoeid werd verloor ze al eens de controle over haar bewegingen. Met haar linker hand had ze de meeste problemen. Daar was de verlamming niet volledig weggetrokken, ze kon er wel mee werken, maar had er geen gevoel in. Ze wist nooit hoe ver ze met die hand kon gaan. Céline merkte dat als ze iets vast nam met die hand het eenvoudig verwrongen werd daar ze te hard kneep zonder het zelf te beseffen. Niettegenstaande deze handicap kwam moeder Toté er terug bovenop en ging terug lesgeven. Zo verzeilde Céline later op de Stedelijke handelsschool van het Kiel, waar ze tot haar pensioenleeftijd les gegeven heeft. Elsie Toté groeide op in een grote familie, was de oogappel van haar vader en het poppetje van haar moeder. Regelmatig werd ze door moemoe in de tuin gezet om van het zonlicht te kunnen genieten en als vader een gaatje vond in zijn druk bezet leven haastte hij zich om bij zijn zonnekind te zijn. Noteren we als afsluiter van deze paragraaf een grap. Misschien niet echt een billenkletser. Het gaat over de kracht van moeders linkerhand. Zij speelde een belangrijke, vrij harde rol bij de opvoeding van de dochter. Elsie vertelde me dat ze helemaal niet te spreken was over die linkerhand. Het was de hand waar ze al eens een pak slaag van kreeg wanneer ze ondeugend was geweest en dat viel niet mee omdat moeder haar kracht toen niet meer kende. Noteer dit goed want Mark en ik konden daar ook van meespreken met dat verschil dat vader de kracht in zijn hand wel kende toen hij ons achterwerk luidruchtig en krachtdadig opwarmde.

SLOT en de schakel onze kerkgeschiedenis

‘Van Groenlands kust in ’t noorden’ (lofzang 17)

Zoals ik reeds vertelde, werd ik op 15 mei van 1948 geboren en dat is voor mij natuurlijk een zeer bijzondere datum. Het is niet alleen mijn verjaardag, maar ook de dag dat er in de Kerk een belangrijke historische dag wordt herdacht. Het is de dag dat de mormonen de herstelling van het priesterschap van Aäron herdenken. Op 15 mei 1829 kwam Johannes de Doper uit de hemel terug om het Aäronische Priesterschap aan de profeet Joseph Smith en Oliver Cowdery te geven. Deze macht gaf de mens terug de kans om wederom de uiterlijke verordeningen van het evangelie te bedienen. Een maand later zou in onze kerkgeschiedenis de apostelen, Petrus, Johannes en Jakobus verschijnen. Zij brachten het hogere priesterschap terug en de kerk bezat nu de volledige macht om in de naam van God te kunnen handelen. Daarom speel ik soms met die datum van 15 mei en noem ik mezelf een bijzonder en zelfs een magisch kind. Het is natuurlijk een persoonlijk grapje van mij, want ik geloof helemaal niet in magie, maar alleen in de macht van God.

De tweede blijde gebeurtenis in de buurt van mijn geboortedatum werd de herkenning van de staat Israël door de Verenigde Naties. Spijtig genoeg hadden de joden er wel een paar Britten en Arabieren voor moeten vermoorden, maar Israël werd het toevluchtsoord voor Zionisten, zeloten en wereldse joden. Voor mij is dat maar een klein onderdeel van Gods plan en er zouden nog vele zaken moeten plaatsvinden, goede en slechte dingen, zaken van boven en onder de aarde. Maar één ding stond als een paal boven water. De ware leer werd terug onder de mensen gepredikt. Ze dienden enkel hun vrije wil te gebruiken en hun hart open te stellen om de blijde boodschap te laten inwerken. Deden ze dat niet, negeerden ze de prediking, dan gingen ze gewoonweg verder met wat ze bezig waren.

Maar voor ons als mormonen vangt de kerkgeschiedenis aan na de WO II. Toen kwam de ware leer van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen voor een tweede keer of zelfs een derde keer naar Europa. De kerkelijke verslagen zwijgen dan tot in het jaar 1947. Er komt een nieuwe zendingsbeweging op gang. Men zou kunnen zeggen dat het evangelie geholpen werd door het Marshall plan en als tussendoortje stop ik even bij de ‘aardappel’ en ‘blikken’ heiligen in Vlaanderen en Nederland. De Amerikanen hadden het Marshall plan bedacht om de getroffen bevolking in naoorlogs Europa te helpen. Er was medicatie, voeding en kledij nodig. Zo werden er dekens, dozen melkpoeder, zakken aardappelen, groenten en vlees in blik ingevoerd voor de noodlijdenden. We schrijven 1947 en ook de mormoonse kerk hielp toen al mee, maar er is nooit echt reclame voor gemaakt.

Via de zendelingen genoten de jonge kerkleden en de nieuwe onderzoekers van de kledij en het voedsel. Het duurde niet lang of door toe doen van dit kerkelijk welzijnscircuit kende de kerk in België en Nederland een plotse ledenaangroei. Spijtig genoeg werd het al gauw duidelijk dat de toestroom van jonge gelovigen recht evenredig was met de stroom van blikken voedsel en zakken aardappelen. Maar het mooie liedje bleef dus niet duren. Toen de dozen met voedsel en de aardappelen niet meer uitgedeeld werden en het voedselprogramma stopgezet werd, keerden een groot deel van de ‘blikken’ mormonen, pas gedoopte leden en de prille onderzoekers, met de noorderzon. Op zondag 29 mei 1949 komt Alma Sonne naar Antwerpen. Hij is een assistent van de raad der Twaalven en de president van de Europese Zending. Opnieuw had men de grote zaal in Antwerpen afgehuurd voor de sessies van de tweede districtconferentie. In autobussen ondernamen de koren van Rotterdam Noord en Zuid ook weer een reis naar Antwerpen. Zij gingen de conferentie opluisteren. Toen was alles afhankelijk van Nederland en was Vlaanderen nog echt pioniersgebied. De leden gaven ook alles om de kerk ook hier te kunnen opbouwen. Maar voor deze geschiedenis verwijs ik naar mijn boek “de mormonen in Vlaanderen."